Het geloofsgoed verandert niet!

Bron: District België - Nederland

De katholieke geloofsbelijdenis van de Priesterbroederschap Sint-Pius X, gepubliceerd op 24 juni 2026, wordt hier in verschillende delen gebracht. Dit tweede deel herinnert eraan dat het katholieke geloof niet het resultaat is van een ontwikkeling of een religieuze ervaring, maar van het vasthouden aan de goddelijke Openbaring die voor eens en altijd aan de Kerk is toevertrouwd, en die deze getrouw doorgeeft via de Heilige Schrift en de Traditie.

De goddelijke Openbaring, het geloof en de Traditie

  1. Ik geloof dat God, in Zijn goedheid, de mens door de gave van de genade heeft geroepen om de zalige aanschouwing te verkrijgen. Ik ben er vast van overtuigd en belijd dat deze verheffing van de mens de krachten en eisen van de menselijke natuur te boven gaat, en dat zij een gratis gave van God is, dat wil zeggen een bovennatuurlijke gave[i]
  2. Ik geloof dat God de mens niet aan zijn eigen natuurlijke krachten heeft overgelaten, maar dat Hij hem de mysteries van Zijn goddelijk leven en de bovennatuurlijke bestemming waartoe Hij hem roept, heeft geopenbaard. Zo heeft Hij, nadat Hij vroeger in het Oude Verbond door de profeten had gesproken, uiteindelijk, in het Nieuwe Verbond,  gesproken door Zijn enige Zoon, Onze Heer Jezus Christus, waarmede de goddelijke Openbaring haar volmaakte vervulling heeft gevonden[ii].
  3. Deze Openbaring is het waarachtige woord van God, dat aan de Kerk als een schat is toevertrouwd en aan de mensen als geloofsregel wordt voorgesteld in de vorm van een leergebouw, waarin de mysteries zodanig zijn geformuleerd dat zij begrijpelijk zijn en in woorden kunnen worden uitgedrukt[iii]. De Openbaring is niet de geleidelijke uitdrukking van een religieus bewustzijn, noch de vrucht van een collectieve ervaring van de gelovige gemeenschap[iv]; zij is de waarheid zelf van God die zich op bovennatuurlijke wijze aan het verstand van de mensen openbaart voor hun heil[v].
  4. Ik geloof dat het geloofsgoed voltooid is met de dood van de laatste apostel. Na de apostelen ontvangt de Kerk geen nieuwe Openbaring meer: zij bewaart, verklaart, verdedigt en geeft het ontvangen geloofsgoed door[vi].
  5. Ik erken de uiterlijke bewijzen van de Openbaring, in het bijzonder de wonderen en de profetieën, als zeer zekere tekenen waarmee de goddelijke oorsprong van de christelijke godsdienst op een voor het menselijk verstand begrijpelijke wijze wordt aangetoond, te allen tijde en overal. Ik erken eveneens de Kerk zelf, door haar eenheid, haar heiligheid, haar katholiciteit, haar vruchtbaarheid en haar onwankelbare stabiliteit, als een blijvende bron van geloofwaardigheid en een onweerlegbaar getuigenis van haar goddelijke zending.
  6. Ik belijd dat het geloof de bovennatuurlijke onderwerping van het verstand is, onder invloed van de genade, aan de door God van buitenaf geopenbaarde waarheid. Het berust noch op de evidentie van het geziene, noch op het persoonlijke oordeel, noch op de ervaring van het beleefde, maar op het gezag zelf van God die spreekt en die, als de Eerste Waarheid, zich noch kan vergissen noch ons kan misleiden. Het geloof is dus noch een blind religieus gevoel, noch een emotie van de ziel, noch een innerlijke overtuiging die voortkomt uit het persoonlijk of collectief bewustzijn. Het is de bovennatuurlijke deugd die het menselijk verstand verheft en het in staat stelt God te kennen zoals Hij is, dankzij het getuigenis dat God van Zichzelf geeft, in afwachting van de goddelijke aanschouwing[vii].
  7. Ik verwerp dan ook de dwaling van het modernisme, zoals die thans nog steeds heerst, die het geloof reduceert tot een innerlijke ervaring, tot een zintuiglijk verlangen of tot een geleidelijk groeiend bewustzijn van de gelovige gemeenschap. Een dergelijke opvatting vernietigt het begrip ‘dogma’ zelf en maakt de geloofsplicht onmogelijk, waarbij de goddelijke waarheid wordt vervangen door subjectieve overtuiging en de leer wordt overgeleverd aan de wisselvalligheden van de geschiedenis[viii].
  8. Ik belijd tevens dat de door God geopenbaarde geloofsschat vervat is in twee bronnen: de Heilige Schrift en de Traditie[ix]. Ik belijd dat de Traditie meer dan één door God geopenbaarde waarheid bevat die niet in de Schrift te vinden is, en dat de Schrift derhalve moet worden gelezen en begrepen in afhankelijkheid van de Traditie[x].
  9. Ik belijd dat de Heilige Schrift, waarvan de boeken in hun geheel, in al hun onderdelen, onder inspiratie van de Heilige Geest zijn geschreven, dus waarlijk het Woord van God is, vrij van elke dwaling en toevertrouwd aan de authentieke uitleg door het Leergezag van de Kerk, volgens de norm van de Traditie en volgens de analogie van het geloof[xi].
  10. Ik verwerp dan ook de rationalistische exegese, die de heilige boeken behandelt als documenten die uitsluitend door mensen zijn geschreven, die a priori de mogelijkheid van het bovennatuurlijke uitsluit, de historische Christus kunstmatig loskoppelt van het geloof van de Kerk, wonderen reduceert tot symbolen, of de Schrift onderwerpt aan veranderlijke hypothesen en aan de manipulaties van naturalistische, kritische methoden. De ware Bijbelwetenschap moet zich ten dienste stellen van het begrip van het geloof; het is niet aan haar om zich op te werpen als regel, uitlegger of rechter van het woord van God[xii].
  11. Ten slotte belijd ik dat de Traditie geen dode gedachtenis is, maar de levende overlevering van de leer die van de apostelen is ontvangen. Zij blijft levend, in tegenstelling tot de Openbaring, die is afgesloten[xiii]. Zij is zowel levend in de werking van het Leergezag van de lerende Kerk als in de geloofsbelijdenis van de onderwezen Kerk, waarvan het “sentire cum Ecclesia” het resultaat is dat voortkomt uit het onderricht van het Leergezag[xiv]. De Traditie kan “levend” worden genoemd, niet in de zin dat zij van betekenis zou veranderen, maar in de zin dat het levende Leergezag door de eeuwen heen, op een steeds duidelijkere en explicietere wijze, dezelfde waarheid volgens dezelfde betekenis voorlegt[xv]. Wat door iedereen, overal en altijd als onderdeel van het geloof is beschouwd, kan door geen enkele theologische mode, geen enkele pastorale druk, geen enkele diplomatieke noodzaak en geen enkele zogenaamde eis van de moderne wereld worden ontkend of in twijfel worden getrokken[xvi].


 


[i] Het Tweede Concilie van Orange (529), canon 7, DS 377; canon 17, DS 387 en canon 25, DS 395; de heilige Pius V, Bul Ex omnibus afflictionibus (1 oktober 1567), DS 1921, 1934 en 1961; Clemens XI, Bul Unigenitus (8 september 1713), DS 2444; Pius IX, Breve Gravissimas inter (11 december 1862), DS 2854; Pius XII, Encycliek Humani generis (12 augustus 1950).

[ii] Brief aan de Hebreeën I; Eerste Vaticaans Concilie (1870), Dogmatische Constitutie Dei Filius, hoofdstuk II, DS 3005 en canon 3, DS 3028.

[iii] Eerste Vaticaans Concilie (1870), Dogmatische Constitutie Dei Filius, hoofdstuk II, DS 3005 en canon 3, DS 3028; hoofdstuk IV, DS 3020 en canon 3, DS 3043; de heilige Pius X, Decreet Lamentabili (3 juli 1907), veroordeelde stellingen nr. 59, DS 3459.

[iv] Eerste Vaticaans Concilie (1870), Dogmatische Constitutie Dei Filius, hoofdstuk IV, DS 3020 en canon 3, DS 3043; de heilige Pius X, Decreet Lamentabili (3 juli 1907), veroordeelde stellingen nr. 20 en nr. 22, DS 3420 en 3422.

[v] Heilige Pius X, Decreet Lamentabili (3 juli 1907), veroordeelde stellingen nr. 20 en nr. 22, DS 3420 en 3422.

[vi] Eerste Vaticaans Concilie (1870), Dogmatische Constitutie Dei Filius, hoofdstuk IV, DS 3020 en canon 3, DS 3043; de heilige Pius X, Decreet Lamentabili (3 juli 1907), veroordeelde stelling nr. 21, DS 3421.

[vii] Heilige Pius X, Encycliek Pascendi (8 september 1907) en Decreet Lamentabili (3 juli 1907), met de veroordeelde stellingen nr. 22, 25 en 26, DS 3422, 3425 en 3426; heilige Pius X, Motu Proprio Sacrorum antistitum (1er  september 1910).

[viii] Zie de verwijzingen in de vorige voetnoot.

[ix] Concilie van Trente, vierde zitting (8 april 1546), Decreet over de aanvaarding van de heilige boeken en de tradities, DS 1501.

[x] De heilige Irenaeus, Tegen de ketterijen, boek IV, hoofdstuk XXVI [43], §1 in Migne Grieks, deel VII, kol. 1052; Tertullianus, Over de voorschriften, hoofdstukken XIX-XXI in Migne Latijn, deel II, kol. 31-33; de heilige Robert Bellarminus, Over het Woord van God, boek IV, hoofdstuk V.

[xi] Concilie van Florence, Bul Cantate Domino (4 februari 1442), DS 1334-1335; Concilie van Trente, vierde zitting (8 april 1546), Decreet over de aanvaarding van de heilige boeken en de tradities, DS 1501-1504; Eerste Vaticaans Concilie (1870), Dogmatische Constitutie Dei Filius, hoofdstuk II, DS 3006 en canon 4, DS 3029.

[xii] Leo XIII, Encycliek Providentissimus Deus (18 november 1893); Benedictus XV, Encycliek Spiritus Paraclitus (15 september 1920); Pius XII, Encyclieken Divino afflante Spiritu (30 september 1943) en Humani generis (12 augustus 1950).

[xiii] Concilie van Trente, vierde zitting (8 april 1546), Decreet over de aanvaarding van de heilige boeken en de tradities, DS 1501.

[xiv] Pius XII, Encycliek Humani generis (12 augustus 1950).

[xv] Het Eerste Vaticaans Concilie (1870), Dogmatische Constitutie Dei Filius, hoofdstuk IV, DS 3020 en canon 3, DS 3043; Pius IX, in de Bul Ineffabilis Deus (8 december 1864), waarin het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis wordt afgekondigd, brengt dit zeer treffend tot uitdrukking: “De Kerk van Jezus Christus, die er altijd op bedacht is de dogma’s die haar zijn toevertrouwd te bewaren en te verdedigen, verandert er nooit iets aan, schrapt er nooit iets uit en voegt er nooit iets aan toe; maar door met een trouwe, discrete en wijze blik naar de oude leerstellingen te kijken, verzamelt zij alles wat de oudheid erin heeft gelegd, alles wat het geloof van de Kerkvaders erin heeft gezaaid. Zij spant zich in om deze te verfijnen en de formulering ervan te perfectioneren, zodat deze oude dogma’s van de hemelse leer duidelijkheid, helderheid en onderscheid krijgen, terwijl zij tegelijkertijd hun volheid, hun integriteit en hun eigen karakter behouden; kortom, zodat zij zich ontwikkelen zonder van aard te veranderen en altijd in dezelfde waarheid, in dezelfde betekenis en in dezelfde gedachte blijven.”

[xvi] De heilige Vincentius van Lérins, Commonitorium, geciteerd door het Eerste Vaticaans Concilie (1870), Dogmatische Constitutie Dei Filius, hoofdstuk IV, DS 3020.