Is de noodtoestand, waarop de FSSPX zich beroept, werkelijk aanwezig?

Bron: District België - Nederland

In een interview met het Italiaanse district van de Priesterbroederschap Sint-Pius X, dat op 14 augustus 2026 werd gepubliceerd, legt pater Daniele Di Sorco uit waarom de dwalingen die voortvloeien uit het Tweede Vaticaans Concilie niet met louter kritiek kunnen worden bestreden en in hoeverre de huidige crisis binnen de Kerk een ware toestand van geestelijke nood veroorzaakt. Hier vindt u een uittreksel van dit artikel:

FSSPX Italië — Wat zou u antwoorden aan katholieken die het problematische karakter van deze gebeurtenissen erkennen (het interreligieuze gezamenlijke gebed in Assisi, het kussen van de Koran door Johannes Paulus II, de Pachamama-ceremonie in het Vaticaan en de ontvangst van Sarah Mullaly), maar de reactie van de Priesterbroederschap Sint-Pius X als buitensporig of ongerechtvaardigd beschouwen?

Abbé Di Sorco — Er zijn inderdaad katholieken die men conservatief noemt en die zich tegen deze misstanden verzetten. Bijvoorbeeld katholieken die de legitimering van homoseksualiteit niet aanvaarden, die de communie voor hertrouwde gescheidenen niet aanvaarden, die grote verbijstering voelen bij documenten zoals dat van Abu Dhabi, waarin wordt gesteld dat alle religies het resultaat zijn van Gods wil en dat zij een door God gewenste rijkdom vormen. Het probleem is dat deze conservatieven het daarbij laten. Zij verwerpen, laten we zeggen, de tweede fase van het modernisme, maar aanvaarden de eerste. Zij slagen er niet in te begrijpen dat deze ontwikkelingen op moreel of dogmatisch gebied niets anders zijn dan de logische gevolgen van de dwalingen van het Tweede Vaticaans Concilie. Vervolgens klagen deze conservatieve katholieken dan heel vaak. Sommigen schrijven misschien zelfs artikelen op internet, maar daar houdt hun reactie op. Zij denken er niet aan dat er ook iets concreets moet worden ondernomen, zoals de Broederschap dat doet, om het probleem op te lossen en, bovenal, om degenen die katholiek blijven in staat te stellen te profiteren van de traditionele leer en de traditionele sacramenten. Met andere woorden, zij beseffen niet dat het weinig zin heeft om bepaalde afwijkingen van het huidige leergezag te bekritiseren als er vervolgens geen priesters zijn om dit soort katholiek onderwijs te bieden, als er geen priesters zijn die de katholieke leer onderwijzen zoals die altijd is onderwezen en die de sacramenten vieren zoals die altijd zijn gevierd.

Dat is het belangrijkste probleem: enkel woorden, maar geen daden.

FSSPX Italia — De verwijzing naar de noodtoestand door de Priesterbroederschap Sint-Pius X is betwist.

Volgens sommigen zou het gaan om een vaag begrip, zonder precieze definitie, dat door de Broederschap zelf is bedacht of in ieder geval niet van toepassing is op de huidige situatie, waarin het niet absoluut onmogelijk zou zijn om toegang te krijgen tot de traditionele sacramenten en de traditionele prediking, bijvoorbeeld bij de Ecclesia Dei-instituten.

Anderen stellen bovendien dat, zelfs in de veronderstelling dat er sprake is van een noodtoestand, dit niet zou volstaan om de door de Broederschap genomen maatregelen te rechtvaardigen.

Kunt u allereerst uitleggen wat het verschil is tussen een gewone crisis in de Kerk en een daadwerkelijke noodtoestand, hoe deze laatste wordt gedefinieerd door de moraaltheologie en het kerkelijk recht, en welke bronnen de contouren ervan bepalen?

Abbé Di Sorco — De crisis in de Kerk verhoudt zich tot de noodtoestand zoals de oorzaak zich verhoudt tot het gevolg. Er heerst een crisis in de Kerk en deze crisis brengt een noodtoestand teweeg. 

Zoals de canonisten ons echter leren, wordt de noodtoestand niet gedefinieerd in de wetgevende teksten van de Kerk. Wij vinden deze niet in het Wetboek van Canoniek Recht, noch in andere teksten, en bijgevolg moeten wij een beroep doen op de leer, dat wil zeggen op wat de doctores in het canoniek recht ons onderwijzen.

Wat zeggen de canonisten hierover?

De noodtoestand is een situatie waarin sprake is van gevaar: een gevaar voor het lichaam, in welk geval men spreekt van fysieke noodzaak, of een gevaar voor de ziel, in welk geval men spreekt van geestelijke noodzaak. Dit gevaar maakt het echter mogelijk dat men bepaalde wetten niet hoeft na te leven, juist omdat in dit specifieke geval het naleven van bepaalde wetten schadelijk wordt, en dat men daarentegen gebruik kan maken van bepaalde voorrechten en bevoegdheden waarin de wet voorziet.

Laten wij een zeer praktisch voorbeeld van fysieke noodzaak nemen dat iedereen kan begrijpen.

Het zevende gebod verbiedt ons te stelen. Maar wij weten dat, indien iemand op het punt staat van de honger te sterven, dat wil zeggen indien hij zich in het onmiddellijke gevaar bevindt zijn leven te verliezen, deze persoon mag nemen wat hij nodig heeft om zich te voeden, zelfs tegen de wil van de eigenaar in. Wij hebben dus, zoals wij zien, te maken met een gevaarlijke situatie. Het gaat hier om een geval van noodzaak dat men ‘extreem’ noemt, omdat het leven zelf op het spel staat.

Bijgevolg is in dit geval – om een reden die ik hier niet nader zal toelichten, omdat dat ons te ver zou leiden – de normale wet, volgens welke het niet is toegestaan zich andermans bezit toe te eigenen, niet van toepassing. In dit geval kan de persoon, zoals ik al zei, stelen – ook al is er in feite geen sprake van diefstal –, hij kan zich toe-eigenen wat strikt noodzakelijk is om zich te voeden en zo aan dit gevaar te ontsnappen.

Het is nu duidelijk dat de noodtoestand waarover wij spreken een geestelijke noodtoestand is.

Met andere woorden: als gevolg van de crisis in de Kerk zien wij dat een zeer groot aantal canoniek regelmatige priesters onjuiste leerstellingen verkondigen, met name de leerstellingen van het Tweede Vaticaans Concilie, waaraan zij vervolgens zeer vaak nog andere dwalingen toevoegen. Zij onderwijzen het geloof niet meer zoals zij dat zouden behoren te doen.

Op moreel vlak beweren zij vaak dat bepaalde zaken geoorloofd zijn, terwijl dat niet het geval is.

En zelfs wat betreft de toediening van de sacramenten hebben wij meer dan eens geconstateerd dat bepaalde sacramenten op ongeldige wijze werden toegediend. Ik herinner mij het geval van een priester van wie later bleek dat hij de doop toediende door slechts de voeten van de gedoopte onder te dompelen. De leer van de Kerk leert ons dat een dergelijke doop twijfelachtig is. Of neem bijvoorbeeld priesters die de vormsel toedienen met een in olie gedrenkt stukje katoen: de auteurs stellen dat het vormsel dat op deze wijze wordt toegediend, ongeldig is.

Daarnaast is er uiteraard het hele probleem van de liturgische hervorming: zelfs wanneer deze sacramenten geldig zijn, worden zij toegediend in de context van een ritus die het katholieke geloof niet langer op adequate wijze tot uitdrukking brengt.

Als de gelovigen zich dan ook gewoonlijk tot deze priesters zouden wenden, zouden zij het onmiddellijke gevaar lopen om ofwel hun geloof te verliezen, of in ieder geval te zien dat hun geloof wordt aangetast; en tevens aanstoot te geven, omdat zij door het bezoeken van deze priesters de indruk zouden wekken dat zij hun leer delen.

Het is duidelijk dat wij te maken hebben met een ernstige en algemene noodtoestand, die in het recht gelijkgesteld wordt aan een extreme individuele noodtoestand.

Sommigen menen dat de enkele priesters van de Ecclesia Dei-instituten zouden volstaan om deze noodtoestand te beëindigen. Dat is uiteraard niet het geval. De priesters van de Ecclesia Dei-instituten zijn hoe dan ook slechts een druppel op een gloeiende plaat. De toestand van gemeenschappelijke nood zou dus blijven bestaan.

Ik wil eraan herinneren dat een toestand van gemeenschappelijke nood een toestand is waarin dit gevaar gewoonlijk, in de meeste gevallen, bestaat. 

Deze noodtoestand blijft bestaan, zelfs als ik in een specifiek geval bijvoorbeeld een priester aantref die het niet eens is met Vaticanum II en die in besloten kring de oude Mis viert – een priester die voor mij dus inderdaad geen gevaar vormt. Het feit dat er enkele geïsoleerde gevallen zijn waarin het gevaar niet bestaat, doet niets af aan het bestaan van het algemene gevaar.

Ten tweede, moet ook worden opgemerkt dat de priesters van de Ecclesia Dei-instituten, althans officieel, in hun officiële verklaringen, het Tweede Vaticaans Concilie hebben aanvaard en de nieuwe Mis hebben aanvaard, ook al vieren zij deze zeer vaak niet. Het bezoeken van deze priesters betekent dus ook in dit geval dat men zich blootstelt aan het gevaar om op de een of andere manier aan deze dwalingen aan te hullen.

Het is dus duidelijk dat de noodtoestand niet ophoudt door de aanwezigheid van enkele priesters die de leer correct onderwijzen of de Mis volgens de oude ritus vieren. Dit geldt des te meer wanneer deze priesters officieel verklaren dat zij diezelfde dwalingen en diezelfde liturgie aanhangen.