Het ontstaan van de bidprocessies
Het begon allemaal in de 5e eeuw, in de Dauphiné (F). Vienne, tegenwoordig een rustig stadje ten zuiden van Lyon, was destijds een belangrijke metropool van de Gallische kerk. Sint Mamertus werd er in 463 bisschop en stierf in 477. Zijn feestdag wordt gevierd op 11 mei. Zijn relikwieën, die in de kathedraal van Orléans werden vereerd, zijn helaas in de 16e eeuw door de hugenoten vernietigd. Deze prelaat stond, naast zijn heiligheid, bekend om zijn kennis en wonderen. Het was een rampzalige tijd, bekend als de tijd van 'de grote invasies' van de Hunnen en de Goten. Bovendien had Vienne nog vele andere tegenslagen te ondergaan: aardbevingen, hongersnoden, epidemieën… De heilige bisschop benadrukte tegenover zijn volk dat het noodzakelijk was om de genade van onze Vader in de hemel af te smeken en boete te doen voor de zonden.
Zijn opvolger, de heilige Avitus, vertelde in een van zijn preken dat er in de paasnacht brand uitbrak in een gebouw in Vienne. De brand verspreidde zich met zo'n geweld dat men een algemene vuurzee verwachtte. De heilige Mamertus wierp zich neer voor het altaar en bad vurig, waardoor de brand werd gestopt: iedereen zag hierin een wonder. Sint Mamertus bedacht diezelfde nacht voor God het plan van de rogaties – de bidprocessies. Hij stelde de psalmen en gebeden vast en voegde daar een vasten aan toe, een aansporing tot de biecht en berouw van hart. De drie dagen voorafgaand aan Hemelvaart werden gekozen voor dit openbare gebed, dat zich snel over heel Gallië en vervolgens over het Westen verspreidde.
De heilige Caesarius van Arles vermeldt aan het begin van de 6e eeuw dat deze gewoonte al wijdverbreid was. In 511 stelt de synode van Orléans officieel voor heel Gallië de periode van de drie dagen vóór Hemelvaart vast. In 567 legt de synode van Tours de verplichting tot vasten op. De rogaties werden in de 7e eeuw in Spanje ingesteld, verspreidden zich vervolgens naar Engeland en daarna naar het huidige Duitsland, en Rome nam deze gewoonte aan het einde van de 8e eeuw over, onder de H. Leo III, de paus die Karel de Grote kroonde. De liturgie van de Kerk nam deze gewoonte vervolgens over en verspreidde deze over de hele wereld.
Vanaf het begin bestond dit gebed uit een processie, dat wil zeggen een plechtige tocht begeleid door smeekgebeden. Na verloop van tijd waren deze processies vooral bedoeld om goede oogsten te vragen, met als bijkomend doel bescherming tegen rampen of oorlogen, die vaak in de lente begonnen. Bidden en boete doen in die tijd kan ook aanzetten tot echte matigheid in een seizoen waarin het lichaam de ziel van de christen wil overheersen.
Aan het begin van de ceremonie werd as op het hoofd van de processieleden gestrooid, daarna volgde het besprenkelen met wijwater en ging de stoet op weg. Iedereen, geestelijken en leken, liep op blote voeten en zong antifonen, psalmen en, net als tegenwoordig, de litanie van alle heiligen. De bisschop van Arles, de heilige Caesarius, voegt eraan toe dat de processie zes uur duurde! Men begaf zich naar een kerk waar tenslotte het Misoffer werd gevierd.
Terwijl dit de, tegenwoordig vergeten, stadsgebruiken waren, legde men op het platteland een route af die werd afgebakend door tijdelijke of vaste kruisen, met tussenstops bij kapellen of met bloemen versierde rustplaatsen.
De eerste dag was normaal gesproken gewijd aan de weiden, de tweede aan de akkers en de derde aan de wijngaarden of andere secundaire gewassen. Maar natuurlijk konden de gebruiken worden aangepast aan de lokale behoeften.
In Gallië bestond tijdens de rogaties een merkwaardig gebruik: men droeg gedurende de eerste twee dagen, achter het processiekruis, een draak met een lange staart, gevuld met stro. De staart werd op de derde dag leeggehaald. Dit betekende dat de duivel op de eerste en tweede dag, de tijd vóór en tijdens de wet van Mozes, over deze wereld heerste; vervolgens werd hij op de derde dag, in de tijd van de genade, na de Passie van Onze-Lieve-Heer, verdreven.
Laten we de heilige gewoonte van deze processie niet verwaarlozen en laten we de geest ervan in ere houden. Laten we eraan deelnemen, want niet alleen onze velden, maar ook ons vaderland en de katholieke Kerk hebben op dit moment bijzondere hulp nodig. Laten we ons ten slotte inspannen om de geest van boetedoening over te nemen die onze smeekbeden en ons bovennatuurlijk vertrouwen in de goddelijke voorzienigheid vergezelt.
E.H. Bruno France
Bron: L’Hermine nr. 58 van mei 2019