Katholieke geloofsbelijdenis van de Priesterbroederschap Sint-Pius X om de zielen te verlichten ten aanzien van de moderne dwalingen

Bron: FSSPX Actualités

De voetnoten bij de geloofsbelijdenis zijn alleen te vinden in het onderstaande PDF-document.

In de naam van de heilige en onverdeelde Drie-eenheid, Vader, Zoon en Heilige Geest.

Preambule

  1. Ik belijd en omarm de volledige waarheid van het katholiek geloof, zoals deze “door de apostelen uit de mond van Onze Heer Jezus Christus zelf is ontvangen, of door de apostelen zelf onder leiding van de Heilige Geest van hand tot hand is doorgegeven”, vervolgens getrouw bewaard is gebleven en in een ononderbroken opvolging binnen de katholieke Kerk tot ons is gekomen, via de prediking van de pausen en de bisschoppen, de geschriften van de kerkvaders en theologen, en de besluiten van de heilige concilies.
  2. Ik aanvaard vastberaden alle waarheden die de onfeilbare Kerk heeft voorgesteld als goddelijk geopenbaard en noodzakelijk voor het heil, hetzij door de definities van haar plechtig Leergezag, hetzij door de eenstemmigheid van haar gewoon en universeel Leergezag. Ik aanvaard eveneens alles wat tot de katholieke leer behoort vanwege een noodzakelijk verband met het geopenbaarde geloofsgoed, en ik beschouw de waarheden als zeker die de Kerk standvastig heeft onderwezen om dit geloofsgoed tegen dwalingen te beschermen.
  3. Ik verwerp dan ook alle dwalingen die in strijd zijn met dit geloof, in het bijzonder die van het liberalisme, het indifferentisme, het modernisme, de oecumene en het secularisme, die door de Pausen Pius IX, Leo XIII, de heilige Pius X, Pius XI en Pius XII zijn veroordeeld. Deze dwalingen vertroebelen immers de geopenbaarde leer, verdraaien de Traditie, ontsieren de heilige liturgie, bederven de zeden, verzwakken de missionaire geest en ontwrichten de christelijke sociale orde, waardoor zij het heil van de zielen ernstig schaden.
  4. Ik belijd dit geloof en verwerp alle dwalingen die daarmee in strijd zijn, omdat ik trouw onderworpen wil blijven aan de heilige, apostolische en rooms-katholieke Kerk, de Lerares van de waarheid, evenals aan de paus, de plaatsvervanger van Christus, in mijn verbondenheid met het eeuwige Rome, dat de opdracht heeft ontvangen om het geopenbaarde geloofsgoed heilig te bewaren en getrouw uiteen te zetten tot aan het einde van de tijden.
  5. Ik voeg hieraan toe dat het, in de huidige verwarring, niet langer volstaat om enkele afzonderlijke waarheden in herinnering te brengen. Het wordt onontbeerlijk om de gehele orde van de katholieke leer volledig in het licht te stellen, in haar bovennatuurlijke samenhang en haar stralende harmonie, zonder enig dogma weg te laten, zonder enige waarheid te verzwakken, zonder de ontvangen geloofsleer te vervangen door dubbelzinnige of vertekende taal die, onder het voorwendsel van oecumene of aanpassing aan de wereld, deze leer met steeds grotere vrijpostigheid misvormt. 
  6. De liefde zelf gebiedt ons deze leer met duidelijkheid, geduld en kracht te belijden, tot glorie van God, tot eer van de Kerk en tot heil van de zielen.

I. De goddelijke Openbaring, het geloof en de Traditie

  1. Ik geloof dat God, in Zijn goedheid, de mens door de gave van de genade heeft geroepen om de zalige aanschouwing te verkrijgen. Ik ben er vast van overtuigd en belijd dat deze verheffing van de mens de krachten en eisen van de menselijke natuur te boven gaat, en dat zij een gratis gave van God is, dat wil zeggen een bovennatuurlijke gave.
  2. Ik geloof dat God de mens niet aan zijn eigen natuurlijke krachten heeft overgelaten, maar dat Hij hem de mysteries van Zijn goddelijk leven en de bovennatuurlijke bestemming waartoe Hij hem roept, heeft geopenbaard. Zo heeft Hij, nadat Hij vroeger in het Oude Verbond door de profeten had gesproken, uiteindelijk, in het Nieuwe Verbond, gesproken door Zijn enige Zoon, Onze Heer Jezus Christus, waarmede de goddelijke Openbaring haar volmaakte vervulling heeft gevonden.
  3. Deze Openbaring is het waarachtige woord van God, dat aan de Kerk als een schat is toevertrouwd en aan de mensen als geloofsregel wordt voorgesteld in de vorm van een leergebouw, waarin de mysteries zodanig zijn geformuleerd dat zij begrijpelijk zijn en in woorden kunnen worden uitgedrukt. De Openbaring is niet de geleidelijke uitdrukking van een religieus bewustzijn, noch de vrucht van een collectieve ervaring van de gelovige gemeenschap13; zij is de waarheid zelf van God die zich op bovennatuurlijke wijze aan het verstand van de mensen openbaart voor hun heil.
  4. Ik geloof dat het geloofsgoed voltooid is met de dood van de laatste apostel. Na de apostelen ontvangt de Kerk geen nieuwe Openbaring meer: zij bewaart, verklaart, verdedigt en geeft het ontvangen geloofsgoed door.
  5. Ik erken de uiterlijke bewijzen van de Openbaring, in het bijzonder de wonderen en de profetieën, als zeer zekere tekenen waarmee de goddelijke oorsprong van de christelijke godsdienst op een voor het menselijk verstand begrijpelijke wijze wordt aangetoond, te allen tijde en overal. Ik erken eveneens de Kerk zelf, door haar eenheid, haar heiligheid, haar katholiciteit, haar vruchtbaarheid en haar onwankelbare stabiliteit, als een blijvende bron van geloofwaardigheid en een onweerlegbaar getuigenis van haar goddelijke zending.
  6. Ik belijd dat het geloof de bovennatuurlijke onderwerping van het verstand is, onder invloed van de genade, aan de door God van buitenaf geopenbaarde waarheid. Het berust noch op de evidentie van het geziene, noch op het persoonlijke oordeel, noch op de ervaring van het beleefde, maar op het gezag zelf van God die spreekt en die, als de Eerste Waarheid, zich noch kan vergissen noch ons kan misleiden. Het geloof is dus noch een blind religieus gevoel, noch een emotie van de ziel, noch een innerlijke overtuiging die voortkomt uit het persoonlijk of collectief bewustzijn. Het is de bovennatuurlijke deugd die het menselijk verstand verheft en het in staat stelt God te kennen zoals Hij is, dankzij het getuigenis dat God van Zichzelf geeft, in afwachting van de goddelijke aanschouwing.
  7. Ik verwerp dan ook de dwaling van het modernisme, zoals die thans nog steeds heerst, die het geloof reduceert tot een innerlijke ervaring, tot een zintuiglijk verlangen of tot een geleidelijk groeiend bewustzijn van de gelovige gemeenschap. Een dergelijke opvatting vernietigt het begrip ‘dogma’ zelf en maakt de geloofsplicht onmogelijk, waarbij de goddelijke waarheid wordt vervangen door subjectieve overtuiging en de leer wordt overgeleverd aan de wisselvalligheden van de geschiedenis.
  8. Ik belijd tevens dat de door God geopenbaarde geloofsschat vervat is in twee bronnen: de Heilige Schrift en de Traditie. Ik belijd dat de Traditie meer dan één door God geopenbaarde waarheid bevat die niet in de Schrift te vinden is, en dat de Schrift derhalve moet worden gelezen en begrepen in afhankelijkheid van de Traditie.
  9. Ik belijd dat de Heilige Schrift, waarvan de boeken in hun geheel, in al hun onderdelen, onder inspiratie van de Heilige Geest zijn geschreven, dus waarlijk het Woord van God is, vrij van elke dwaling en toevertrouwd aan de authentieke uitleg door het Leergezag van de Kerk, volgens de norm van de Traditie en volgens de analogie van het geloof.
  10. Ik verwerp dan ook de rationalistische exegese, die de heilige boeken behandelt als documenten die uitsluitend door mensen zijn geschreven, die a priori de mogelijkheid van het bovennatuurlijke uitsluit, de historische Christus kunstmatig loskoppelt van het geloof van de Kerk, wonderen reduceert tot symbolen, of de Schrift onderwerpt aan veranderlijke hypothesen en aan de manipulaties van naturalistische, kritische methoden. De ware Bijbelwetenschap moet zich ten dienste stellen van het begrip van het geloof; het is niet aan haar om zich op te werpen als regel, uitlegger of rechter van het woord van God.
  11. Ten slotte belijd ik dat de Traditie geen dode gedachtenis is, maar de levende overlevering van de leer die van de apostelen is ontvangen. Zij blijft levend, in tegenstelling tot de Openbaring, die is afgesloten. Zij is zowel levend in de werking van het Leergezag van de lerende Kerk als in de geloofsbelijdenis van de onderwezen Kerk, waarvan het “sentire cum Ecclesia” het resultaat is dat voortkomt uit het onderricht van het Leergezag. De Traditie kan “levend” worden genoemd, niet in de zin dat zij van betekenis zou veranderen, maar in de zin dat het levende Leergezag door de eeuwen heen, op een steeds duidelijkere en explicietere wijze, dezelfde waarheid volgens dezelfde betekenis voorlegt. Wat door iedereen, overal en altijd als onderdeel van het geloof is beschouwd, kan door geen enkele theologische mode, geen enkele pastorale druk, geen enkele diplomatieke noodzaak en geen enkele zogenaamde eis van de moderne wereld worden ontkend of in twijfel worden getrokken.

II. God, begin en doel van alle dingen, heilige Drie-eenheid

  1. Ik belijd het bestaan van één enkele, persoonlijke, levende en ware God, het eerste begin en het laatste doel van alle dingen, die in het begin uit het niets de hemel en de aarde, de zichtbare en onzichtbare dingen, heeft geschapen. Oneindig volmaakt, eeuwig en almachtig, onveranderlijk, onbegrijpelijk in Zijn Wezen en soeverein vrij in Zijn werken, onderscheidt Hij Zich van de wereld die Hij uit vrije wil heeft geschapen, die Hij in het bestaan houdt en die Hij door Zijn Voorzienigheid bestuurt.
  2. Ik belijd dat God met zekerheid kan worden gekend door het natuurlijke licht van de rede aan de hand van Zijn schepselen, zoals de oorzaak bekend is door zijn gevolgen. Het katholieke geloof erkent immers dat het menselijk verstand in staat is de werkelijkheid van de dingen waarlijk te doorgronden, vaak de oorzaken ervan te kennen en tot ware zekerheden te komen.
  3. Daarom verwerp ik het moderne agnosticisme, het filosofisch scepticisme, het idealistisch subjectivisme en alle leerstellingen die de reikwijdte van de menselijke kennis beperken tot zintuiglijke verschijnselen of constructies van het bewustzijn, en daarmee de mogelijkheid zelf van een kerkelijk Leergezag en een ware theologie ontkennen.
  4. Ik belijd dat er in de ene goddelijke Natuur drie werkelijk onderscheiden Personen bestaan: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, een Drie-eenheid van één in Wezen en onverdeelbaar. De Vader is zonder begin; de Zoon is van alle eeuwigheid door de Vader voorgebracht; de Heilige Geest gaat eeuwig uit van de Vader en de Zoon als van één enkel beginsel. Maar deze drie Personen vormen één en dezelfde goddelijke Wezenheid: zij zijn één Eeuwige en niet drie Eeuwigen; één God die wijs, goed en almachtig is, en niet drie goden die eveneens wijs, goed en almachtig zijn; zij zijn één in de goddelijke Wil en Voorzienigheid, en genieten één en dezelfde heerlijkheid.
  5. Ik verwerp de afgezwakte belijdenissen van het trinitaire geloof die, onder het voorwendsel van religieuze eenheid of oecumenische voorzichtigheid, opzettelijk verzwijgen wat God over Zichzelf heeft geopenbaard. Het volstaat niet om met de joden en de moslims te zeggen dat er één God is; het volstaat niet om met de arianen te erkennen dat de Zoon van dezelfde natuur is als de Vader; het volstaat evenmin om met de schismatieke Grieken te belijden dat de Heilige Geest uit de Vader voortkomt, terwijl men het Filioque verzwijgt. Dit valse irenisme streeft naar een illusionaire eendracht: door bepaalde geopenbaarde waarheden niet te belijden, vervangt het duidelijkheid door verwarring en brengt het de integriteit van het geloof in gevaar.

III. De schepping van de mens en de bovennatuurlijke orde van de genade

  1. Ik geloof dat God de mens naar Zijn beeld heeft geschapen, voorzien van een geestelijke en onsterfelijke ziel, die in staat is de waarheid te kennen, het goede te beminnen zoals dat door het natuurlijke verstand wordt erkend, en zich vrijwillig tot zijn Schepper te wenden. De mens is dus niet het noodzakelijk product van een blinde evolutie, noch het eenvoudig resultaat van materiële krachten; hij is afkomstig van God als zijn scheppende oorzaak, is afhankelijk van God die hem in het bestaan houdt, en is gericht op God als zijn doel.
  2. Ik belijd dat God de mens niet uitsluitend tot zijn natuurlijke volmaaktheid heeft bestemd, maar hem uit vrije wil heeft geroepen tot een bovennatuurlijk doel dat de krachten en rechten van de geschapen natuur volkomen te boven gaat: de zalige aanschouwing, waardoor de ziel God van aangezicht tot aangezicht zal zien en zal delen in het innerlijk leven van de Allerheiligste Drie-eenheid. Dat de mens geroepen is omeen kind van God te worden, deel te hebben aan de goddelijke Natuur en erfgenaam van de Hemel te zijn, is niet de noodzakelijke vervulling van zijn natuur, maar puur een gevolg van de goddelijke vrijgevigheid.
  3. Ik verwerp dan ook elke leer die het onderscheid tussen natuur en genade opheft, die het bovennatuurlijk leven tot een vereiste van de menselijke natuur maakt, of die de genade voorstelt als een louter innerlijke ontwikkeling van de natuurlijke vermogens van de mens. Een dergelijke verwarring ondermijnt zowel het onverdiend karakter van de bovennatuur als ook de realiteit van de natuur. Uiteindelijk reduceert zij het geloof tot een religieuze antropologie, en de Verlossing tot een openbaring van de mens aan zichzelf.
  4. Ik belijd eveneens dat de genade de natuur niet vernietigt of vervangt: zij geneest haar, verheft haar en vervolmaakt haar, terwijl zij de natuur laat bestaan. De bovennatuurlijke orde stelt noch de rede, noch de natuurwet, noch de schepselen ter discussie; zij geneest ze en onderwerpt ze aan een hoger doel. Daarom is de moderne tegenstelling tussen menselijke vrijheid en genade, tussen de waardigheid van de persoon en de afhankelijkheid van God, tussen samenleving en geloof, volkomen onjuist.
  5. Ik verwerp het valse religieuze humanisme dat de mens op zichzelf verheerlijkt, alsof de Incarnatie in de eerste plaats en uitsluitend het beeld van God in de schepping van de mens zou hebben geopenbaard, in plaats van de ellende van de zonde en de barmhartigheid van God die zich tot de zondaar neerbuigt. De mens is pas werkelijk groot wanneer hij nederig de genade ontvangt die hem geneest en verheft, boete doet voor zijn zonden, zich onderwerpt aan de waarheid en leeft als een kind van God. Door zich van God af te keren, verheft hij zichzelf niet: hij verliest zichzelf.
  6. Ik belijd dat de menselijke waardigheid, waarmee God Zijn schepsel aan de top van de materiële wereld heeft geplaatst, nooit kan worden aangevoerd tegen de Wet van God, tegen de noodzaak van bekering, of tegen de onderwerping aan de geopenbaarde waarheid. Deze waardigheid is door de zonde aangetast: zij moet door de genade worden hersteld en verheven tot de waardigheid van de aangenomen kinderen van God.

IV. De erfzonde en de toestand van de mens

  1. Ik geloof dat onze eerste ouders door God in een toestand van oorspronkelijke gerechtigheid en heiligheid zijn geschapen en begiftigd met de gaven van onschuld, vrijwaring van lijden en te moeten sterven. Door een bijzondere gunst van God bezaten zij niet alleen de integriteit van hun eigen natuur, maar ook de bovennatuurlijke gaven die hen bestemden voor het leven van God zelf. Adam, het hoofd en de stamvader van de mensheid ontving bovendien de gave van de verstandelijke kennis.
  2. Ik belijd dat Adam door zijn ongehoorzaamheid daadwerkelijk de oerzonde heeft begaan, die van generatie op generatie aan alle mensen wordt doorgegeven. Deze erfzonde is voor allen een zonde van de natuur, die hen veroordeelt tot de dood, tot lijden, tot onwetendheid en tot begeerlijkheid. Nadat zij waren beroofd van de heiligmakende genade en de bovennatuurlijke gaven, die zij niet langer aan hun nageslacht kunnen doorgeven, werden Adam en Eva uit het aards paradijs verdreven.
  3. In Adam is de natuur van de mens echter niet vernietigd, maar slechts gewond: zijn verstand, hoewel verduisterd, blijft in staat de waarheid te kennen; zijn vrije wil, hoewel verzwakt, blijft in staat het natuurlijke goede te willen en lief te hebben. Daarom verwerp ik alle leerstellingen die, vanuit een wanhopig pessimisme, de mens als onherstelbaar verdorven en onbekwaam tot enig goed beschouwen.
  4. Ik verwerp echter eveneens alle leerstellingen die, vanuit een onbezonnen optimisme, de erfzonde bagatelliseren, de aangeboren goedheid van de mens naïef verheerlijken, of beweren dat universele vrede uitsluitend kan worden gegrondvest op de morele, technische, politieke of culturele vooruitgang van de mensheid. De tragedies van de geschiedenis, de onrust in de samenlevingen en de duisternis van het menselijk hart zijn in wezen, in de eerste plaats en bovenal, te verklaren door de diepe wonde van de zonde.
  5. Ik belijd dat de mens gered moet worden door een verlossing die hem zowel van deze erfzonde als van al zijn persoonlijke zonden bevrijdt. Deze verlossing – of deze vrijkoop – vereist de gave van Gods genade in Christus: zonder deze kan de mens zichzelf niet redden door zijn natuurlijke werken, zijn cultuur, zijn wetenschap of zijn religieuze mening. Zonder de heiligmakende genade van Christus is hij niet in staat zijn bovennatuurlijke doel te bereiken.
  6. Ik verwerp dan ook het moderne naturalisme, of het nu theoretisch is (in de filosofie of de theologie) of praktisch (in de moraal, de politiek of de pastorale zorg). Elke leer die spreekt over broederschap, vrede, waardigheid of vooruitgang, zonder de zonde, het Kruis of de noodzaak van de genade te erkennen, bouwt op een illusionair fundament en misleidt uiteindelijk de zielen die zij beweert te dienen.
  7. Tegelijkertijd belijd ik dat de ernst van de zonde nooit tot wanhoop mag leiden, want God heeft in Zijn barmhartigheid de mens na zijn zondeval niet in de steek gelaten, maar heeft hem vanaf het begin een Verlosser beloofd, geboren uit de Vrouw, wiens komst Hij geleidelijk doorheen de heilsgeschiedenis heeft voorbereid.
  8. In dit alles belijd ik dat de feiten die in het boek Genesis worden vermeld en die betrekking hebben op de grondslagen van de katholieke religie, in letterlijke, historische zin moeten worden opgevat: bijvoorbeeld de schepping van alle dingen door God aan het begin van de tijden; de bijzondere schepping van de mens; de vorming van de eerste vrouw uit de eerste man; de eenheid van het menselijk geslacht; het oorspronkelijk geluk van de eerste ouders in de toestand van gerechtigheid, ongeschondenheid en onsterfelijkheid; het gebod dat God aan de mens gaf om zijn gehoorzaamheid op de proef te stellen; de overtreding van het goddelijke gebod, op aansporing van de duivel in de gedaante van de slang; de val van de eerste ouders uit deze oorspronkelijke toestand van onschuld; evenals de belofte van de komende Verlosser.

V. Jezus Christus, het mensgeworden Woord, enige Middelaar en Verlosser

  1. Ik geloof en belijd dat Onze Heer Jezus Christus het eeuwige Woord van God is, ware God en ware mens, van dezelfde substantie als de Vader wat de Goddelijkheid betreft en van dezelfde natuur als wij wat de menselijkheid betreft, gelijk aan ons behalve de zonde. Hij is de enige Middelaar tussen God en de mensen, de enige Verlosser van het menselijk geslacht, de enige Koning van de zielen en van de samenlevingen, door God in Zijn barmhartigheid aan onze eerste ouders beloofd en door de profeten aangekondigd.
  2. Ik belijd dat, toen de volheid van de tijden was gekomen, de Zoon van God mens is geworden, niet om de mens in zijn menselijke waardigheid te bevestigen of om de mens het beeld van God in hemzelf te openbaren, maar om hem van de zonde te redden en hem opnieuw toegang te verschaffen tot het eeuwig leven. Geboren uit de Maagd Maria, heeft Hij – zonder op te houden God te zijn – een ware menselijke natuur aangenomen, onder ons geleefd, de waarheid onderwezen, de profetieën vervuld, Zijn goddelijkheid door Zijn wonderen geopenbaard en Zich vervolgens vrijwillig aan het Kruis opgeofferd als Verzoeningsoffer voor de zonden van de wereld.
  3. Ik belijd dat de Verlossing een ware genoegdoening is die aan de goddelijke gerechtigheid wordt aangeboden, tot herstel van de erfzonde en de persoonlijke zonden. Christus, Priester en Slachtoffer in Zijn heilige mensheid, heeft ons door Zijn Bloed verlost. Door onze zonden te dragen en de straf te ondergaan die ons toekwam, heeft Hij aan Zijn Vader een volmaakte daad van gehoorzaamheid, liefde en verzoening aangeboden, waaraan de waardigheid van Zijn goddelijke Persoon een oneindige verdienstelijke waarde verleende.
  4. Ik verwerp dan ook elke leer die de Verlossing zou reduceren tot een loutere uiting van Gods liefde, tot een solidariteit van Christus met het menselijk lijden, tot een openbaring van de waardigheid van de mens, of tot een louter morele, politieke of sociale bevrijding. Het Kruis is niet slechts een teken: het is het altaar van het Verlossingsoffer. Christus heeft niet alleen de Verlossing verkondigd: Hij heeft deze verdiend door Zijn Offer. Zijn vrijwillig lijden en Zijn dood aan het Kruis vormen het enige Verlossingsoffer waardoor de mensheid met God is verzoend.
  5. Ik belijd dat Hij op de derde dag in glorie uit de doden is opgestaan, en dat deze Verrijzenis een waarlijk historisch feit is. Zij is het meest schitterende teken van Zijn definitieve overwinning op de zonde, de dood en de hel. Zij vormt het fundament van de christelijke hoop en het onderpand van onze eigen verrijzenis. Zij is tevens de belangrijkste grond voor de geloofwaardigheid van de Godheid van Jezus Christus.
  6. Ik geloof dat Hij veertig dagen later ten Hemel is opgevaren, dat Hij voortaan aan de rechterhand van Zijn Vader zit, dat Hij onzichtbaar Zijn Kerk bestuurt door Zijn plaatsvervanger, en dat Hij voortdurend voor ons bemiddelt, in afwachting van Zijn terugkeer in glorie aan het einde van de tijden, om de levenden en de doden te oordelen.
  7. Ik belijd eveneens dat, hoewel Christus voor allen is gestorven, niet iedereen daardoor automatisch wordt gered. De verdiensten van het Lijden moeten op de zielen worden toegepast, wat gewoonlijk gebeurt wanneer zij met de vereiste gesteltenissen de sacramenten ontvangen die hun de heiligmakende genade schenken. Wie de sacramenten weigert, ze onwaardig ontvangt of vrijwillig in zonde blijft, sluit zich af voor het heil dat Christus voor hem heeft verworven.
  8. Ik verwerp dan ook het valse optimisme van een universele verlossing die reeds in ieder mens is volbracht, ongeacht zijn bekering en volharding. Een dergelijke leer ondermijnt de urgentie van de prediking, verzwakt de missionaire ijver, maakt boetedoening zinloos en is in tegenspraak met de woorden van de Verlosser zelf: “Wie gelooft en zich laat dopen, zal worden gered; wie niet gelooft, zal worden veroordeeld.”
  9. Ten slotte belijd ik dat Jezus Christus niet alleen de Verlosser van het individu is, maar ook het middelpunt van de gehele geschiedenis en de Koning van de gehele schepping. Alles is door Hem en voor Hem geschapen; alles moet in Hem worden hersteld. Geen enkele cultuur, geen enkele samenleving, geen enkele wet, geen enkele menselijke wijsheid vindt haar ware, volledige en afgesloten volmaaktheid buiten Zijn heerschappij. 

VI. De allerheiligste Maagd Maria in het heilsplan

  1. Ik geloof dat de allerheiligste Maagd Maria in de heilsgeschiedenis een unieke plaats inneemt, die door God van alle eeuwigheid is gewild, en dat haar toestand derhalve niet dezelfde is als die van de andere schepselen. Hij die had besloten Zijn Zoon aan de mensen te schenken, had ook besloten Hem een Moeder te geven.
  2. Ik belijd dat de Heilige Maagd Maria, door een bijzonder voorrecht, vanaf het eerste ogenblik van haar ontvangenis onbevlekt was, opdat zij de waardige Moeder van Jezus Christus zou zijn: behoed voor de erfzonde door anticipatie op de verdiensten van Christus en aldus op een subliemere wijze verlost en vanaf het eerste ogenblik van haar bestaan met genade vervuld, heeft Maria zich altijd volmaakt trouw getoond aan de Wil van God.
  3. Ik geloof dat zij altijd maagd is gebleven, vóór, tijdens en na het baren; haar eeuwige maagdelijkheid getuigt van de goddelijke oorsprong van haar Zoon en van haar volledige toewijding aan het werk van God.
  4. Ik belijd dat zij, als ware Moeder van God en Moeder van de mensen, op een unieke en onvergelijkbare wijze betrokken was bij het Verlossingswerk van haar goddelijke Zoon: als nieuwe Eva naast de nieuwe Adam heeft haar “Fiat“ de weg gebaand voor de Menswording; haar stille trouw heeft het gehele leven van de Verlosser begeleid; door haar smartvol meelijden aan de voet van het Kruis heeft zij, één van zin, zich verenigd met het Verlossingsoffer.
  5. Ik belijd dat zij, aldus verenigd met haar goddelijke Zoon, door haar meelijden op grond van billijkheid heeft verdiend wat Christus door strikte gerechtigheid in Zijn Lijden heeft verworven; niet als hoofdoorzaak van de Verlossing, maar als ondergeschikte, afhankelijke en geheel aan haar Zoon gerelateerde medewerkster, in één en dezelfde daad van de Verlossing van onze zielen. In deze zin noemt de katholieke vroomheid, gesteund door de traditionele leer van de pausen en theologen, haar terecht, vanwege dit meelijden, “Medeverlosseres” en bijgevolg “Universele Middelares”.
  6. Ik verwerp dan ook met verontwaardiging de moderne neiging om de voorrechten van de allerheiligste Maagd te beperken onder het voorwendsel van oecumenische voorzichtigheid, dialoog met valse religies, of uit een misplaatste vrees dat de enige verlossende bemiddeling van Jezus Christus hierdoor zou worden overschaduwd. Het verzwakken van de mariale leer betekent niet dat men Christus beter eert: het betekent dat men de door God gewilde orde miskent, die tot ons wilde komen via Maria en ons via haar tot Hem wilde leiden.
  7. Ik geloof dat zij aan het einde van haar aardse leven met lichaam en ziel werd opgenomen in de hemelse heerlijkheid, waar zij bij de troon van God, aan de zijde van de heilige mensheid van haar goddelijke Zoon, regeert over de engelen en de mensen en haar moederlijke rol als Middelares van alle genaden vervult.
  8. Ten slotte belijd ik dat de authentieke en bijzondere verering van Zijn Moeder de aan God verschuldigde verering geenszins vermindert; integendeel, zij vergroot deze, omdat zij de wonderen van de goddelijke genade in het volmaaktste schepsel erkent en de zielen zekerder naar Jezus Christus leidt. Het waar katholiek herstel kan niet los worden gezien van de eer die wordt betoond aan haar die de kop van de slang verplettert.

VII. De katholieke Kerk, het mystieke Lichaam van Christus en de enige ark van het heil

  1. Ik geloof vast dat Onze Heer Jezus Christus, om het Verlossingswerk tot het einde van de tijden te bestendigen en voort te zetten, één enkele Kerk heeft gesticht: zichtbaar, hiërarchisch, onveranderlijk en noodzakelijk voor het heil. Deze Kerk, verworven door het Bloed van Christus en toevertrouwd aan Petrus en zijn opvolgers, de pausen van Rome, is niets anders dan de rooms-katholieke Kerk.
  2. Ik belijd dat de Kerk één, heilig, katholiek en apostolisch is. Zij is één door haar geloof, haar eredienst, haar bestuur en haar doel. Zij is heilig door haar Stichter, door haar leer, door haar sacramenten en door de heiligen die zij voortdurend voortbrengt. Zij is katholiek omdat zij, gezonden tot alle volkeren en gevestigd over de gehele aarde, overal in staat is om de mensen van alle standen het heil te schenken. Zij is apostolisch omdat zij gegrondvest blijft op de apostelen, hun leer bewaart en hun zending voortzet, geleid door hun opvolgers.
  3. Ik belijd dat de Kerk identiek is aan de zichtbare gemeenschap en het mystieke Lichaam van Christus. Christus is het Hoofd ervan; de gelovigen zijn de leden; het bovennatuurlijk leven dat aan het Kruis is verworven, wordt in haar doorgegeven via de sacramenten die in het geloof worden ontvangen en tot bloei komen in de liefde tot God en de naaste. 
  4. Ik belijd dat de Kerk de vlekkeloze Bruid van Christus is. Christus heeft haar zo liefgehad dat Hij Zichzelf voor haar heeft overgeleverd, om haar te heiligen en haar zonder vlek of rimpel voor te stellen. Hoewel haar leden kunnen zondigen, blijft zijzelf, in haar leer, haar sacramenten, haar goddelijke grondvesting en haar doel, de trouwe en zuivere behoedster van de geopenbaarde geloofsschat en de uitdeelster van de mysteries van God. De fouten van kerkelijke leiders kunnen niet aan de Kerk als zodanig worden toegeschreven; zij vloeien voort uit het feit dat deze mensen niet volgens haar heilige wetten hebben geleefd. Daarom verwerp ik de onrechtvaardige en godslasterlijke beschuldigingen die tegen de Kerk worden ingebracht vanwege de zonden van haar kinderen, evenals de berouwbetuigingen die de Bruid van Christus de fouten lijken te laten dragen van degenen die haar hebben verraden.
  5. Ik belijd dat de Kerk de Moeder van de zielen is. Zij brengt hen door het Doopsel tot het goddelijk leven, voedt hen door de Eucharistie, richt hen op door de Biecht, sterkt hen door het Vormsel, heiligt de gezinnen door het Huwelijk, wijdt de priesters door de Priesterwijding en staat de stervenden bij door het H. Oliesel. Haar moederschap is bovennatuurlijk en heilbrengend: zij schenkt de mensen het brood van de gezonde leer, de genade en de middelen tot het eeuwige leven. 
  6. Ik belijd dat God de Kerk tot het noodzakelijk middel tot het heil heeft willen maken; net zoals er onder de hemel geen andere naam aan de mensen is gegeven dan die van Jezus Christus, door wie wij gered moesten worden, zo is er ook geen bovennatuurlijk heil los van de katholieke Kerk. Want alle heil komt van Jezus Christus; en alle heilbrengende genade wordt ofwel geschonken in en door de enige Kerk die Hij heeft gesticht, ofwel leidt deze genade de persoon die ze ontvangt, tot diezelfde Kerk.
  7. Deze waarheid houdt in dat niemand zonder Christus en Zijn Kerk kan worden gered door een valse godsdienst als zodanig, noch zeker kan zijn van zijn heil buiten de zichtbare structuur van de Kerk. Indien er mensen zijn die gered worden zonder deel uit te maken van de zichtbare gemeenschap die de Kerk is, het mystieke Lichaam van Christus, dan gebeurt dit door een bovennatuurlijke zaligmakende gerichtheid tot de enige Kerk van het heil, en ondanks de dwalingen van de valse godsdiensten waarin zij zich bevinden; zij bevrijden zich van deze valse godsdiensten door de aangeboden genade niet te weigeren en erop in te gaan.
  8. Ik verwerp dan ook het valse oecumenisme, dat berust op het idee dat de Heilige Geest niet zou weigeren om de afgescheiden gemeenschappen te gebruiken als middelen tot verlossing, alsof de Kerk van Christus daar aanwezig en werkzaam zou zijn, of alsof deze gemeenschappen op zichzelf een verlossende waarde zouden bezitten, waarvan de kracht zou voortvloeien uit de volheid van genade en waarheid die aan de katholieke Kerk is toevertrouwd. Indien iemand buiten de zichtbare grenzen van de katholieke Kerk toegang krijgt tot de geopenbaarde waarheid of een genade van heiliging ontvangt, behoren deze waarheid en deze genade van rechtswege toe aan diezelfde Kerk, roepen zij ondubbelzinnig op tot katholieke eenheid, en de Heilige Geest schenkt deze niet door zich te bedienen van deze afgescheiden gemeenschappen als zodanig als middelen tot verlossing, waarvan de zielen niet genoeg kunnen worden weggehouden. 
  9. Ik verwerp eveneens het idee dat niet-christelijke religies een straal van de waarheid zouden weerspiegelen die ieder mens verlicht, of legitieme wegen zouden zijn waarlangs God de mensen daadwerkelijk naar het heil zou leiden. Enkele fragmenten van natuurlijke waarheid, of vervormde overblijfselen van oude waarheden, kunnen weliswaar worden aangetroffen bij de aanhangers van deze valse godsdiensten; maar deze godsdiensten, op zichzelf beschouwd en voor zover zij dwalingen in hun eredienst vermengen, zijn het werk van de duivel en kunnen door God niet worden aanvaard. De Heilige Geest maakt er geen gebruik van als wegen tot het heil, en er is in deze religies geen enkele eigenschap te vinden die eigen is aan de enige Kerk van Christus, het enige licht dat ieder mens in de duisternis verlicht.
  10. Ik verwerp tevens het idee van een “anoniem christendom”, volgens welke ieder mens die een van nature eerlijk leven leidt – of hij nu “gelovige”, atheïst of agnost is – naar Christus zou zijn gericht en dus door Hem zou worden gered, omdat hij “christen” zou zijn zonder het te weten.
  11. Ten slotte belijd ik dat het Oude Verbond is vervuld, vervangen en buiten werking gesteld door het Nieuwe Verbond, dat in Christus en in Zijn Kerk de vervulling is van de belofte die aan Abraham is gedaan. De symbolen van de Oude Wet hebben hun vervulling en hun einde gevonden in het Offer van het ware Lam, Middelaar van het Nieuwe Verbond en Priester voor eeuwig volgens de orde van Melchisedech. Door de eeuwige Wil van God is het ware nageslacht van Abraham Christus, samen met hen die tot Hem behoren in Zijn mystieke Lichaam, dat de Kerk is.
  12. Ik verwerp dan ook de nieuwe ecclesiologie, die de missionaire gedrevenheid ondermijnt door de uniciteit van de Kerk, de enige ark van het heil, te relativeren. 
  13. Ik verwerp eveneens de inculturatie die wordt opgevat als de kritiekloze overname van religieuze, morele of symbolische categorieën uit heidense culturen en hun praktijken. Het Evangelie kan datgene overnemen wat van nature goed, waar en edel is bij de volkeren; het kan nooit afgoderij, bijgeloof, dwaling of zeden die in strijd zijn met de natuurwet heiligen. De zending van de Kerk is geen eindeloze dialoog, geen humanitaire samenwerking of een wederzijdse erkenning van religieuze tradities: zij is de opdracht die Christus ons heeft gegeven om alle volken te onderwijzen, hen te dopen en hen te leren alles te onderhouden wat Hij heeft geboden.

VIII. De Heilige Geest, de Heiligmaker van de zielen en de Ziel van de Kerk

  1. Ik belijd dat de Heilige Geest, de derde Persoon van de Allerheiligste Drie-eenheid, ware God samen met de Vader en de Zoon, door de profeten heeft gesproken, de Heilige Schrift heeft geïnspireerd, de rechtvaardigen heeft geheiligd, de menselijke natuur van het vleesgeworden Woord in de maagdelijke schoot van Maria heeft gevormd, en op Pinksteren zichtbaar is gezonden om de Kerk te openbaren en haar tot het einde van de tijden te bezielen.
  2. Ik geloof dat Hij, gezonden door de Vader en de Zoon, in de Kerk verblijft tot het einde van de tijden, overeenkomstig de belofte van Onze Heer. Hij is de ongeschapen Ziel van de Kerk, niet als een wezenlijke vorm die het onderscheid tussen Christus en zijn leden zou opheffen, maar als het onzichtbare beginsel en de werkzame oorzaak van haar bovennatuurlijke leven, van haar eenheid in geloofsbelijdenis en eredienst, van de heiligheid van haar bestuur en haar Leergezag, en van haar vruchtbaarheid in haar werken. 
  3. Ik belijd dat het gehele leven van de Kerk afhangt van Zijn werking. Hij is het die het kerkelijk Leergezag, in het bijzonder dat van de paus, bijstaat, opdat dit Leergezag de geopenbaarde geloofsschat foutloos bewaart, verkondigt en uitlegt: niet om nieuwe leerstellingen te bedenken, maar om, in dezelfde zin en met dezelfde betekenis, dieper door te dringen tot de waarheid die God reeds aan de apostelen heeft geopenbaard. 
  4. Ik geloof dat Hij het is die in de sacramenten aan de zielen de door de Verlosser verworven genade schenkt, door deze genade in hen woont en hen naar het beeld van Christus vormt; Hij is het die de verstandelijke vermogens verlicht met Zijn wijsheid, de wil ondersteunt met Zijn kracht en Zijn liefde in de harten verspreidt; Hij is het die goede werken voortbrengt, naastenliefde inspireert en de zielen naar hun volmaaktheid leidt. 
  5. Hij is het die de martelaren heeft gesterkt, de kerkleraren heeft verlicht, de missionarissen heeft opgewekt, het contemplatieve leven heeft gevoed, de religieuze ordes heeft gesticht en de heiligheid in alle levensstanden tot bloei heeft gebracht. De grote werken van de christelijke beschaving, vruchten van de katholieke cultuur, getuigen zelf van deze discrete maar vruchtbare aanwezigheid van de Geest van God in de Kerk door de eeuwen heen.
  6. Ik verwerp dan ook elke poging om de Heilige Geest aan te roepen ter rechtvaardiging van leerstellige aanpassingen die breken met de Traditie, van morele omwentelingen of van synodale procedures waarmee ter discussie wordt gesteld wat de Kerk van God heeft ontvangen. De Geest van de Waarheid kan vandaag niet het tegenovergestelde inspireren van wat Hij gisteren heeft geïnspireerd. Hij nodigt de Kerk niet uit om naar de wereld te luisteren om haar verlangens over te nemen; Hij spoort haar juist aan om de wereld te onderwijzen, te bekeren en te heiligen. Zijn werk bestaat er niet in anarchistische ingevingen op te wekken, noch in het aanmoedigen van leerstellige creativiteit, noch in het baseren van het geestelijk leven op het zoeken naar buitengewone charismatische verschijnselen; het bestaat erin de zielen te leiden door hun geloof te verhelderen en hen te verdedigen tegen hun geestelijke vijanden, om in hen het werk van hun heil te voltooien en hen naar het licht van de eeuwigheid te leiden.

IX. De paus van Rome, het episcopaat en de hiërarchische structuur van de Kerk

  1. Ik erken in de paus de opvolger van de heilige Petrus, de plaatsvervanger van Jezus Christus, de hoogste en universele herder, het zichtbare hoofd van de gehele Kerk, die door goddelijke instelling een ware en bijzondere bevoegdheid bezit van hoogste, volledige, onmiddellijke en universele jurisdictie over alle herders en over alle gedoopte gelovigen in de Kerk. 
  2. Ik geloof dat dit gezag niet voortkomt uit een delegatie door de gemeenschap, maar rechtstreeks van Christus zelf, die dit ambt heeft ingesteld ter bewaring van de geloofsleer, de heiliging van de zielen en het bestuur van de Kerk.
  3. Ik erken dat herders en gelovigen hem, op grond van deze bijzondere en ware macht, respect en kinderlijke gehoorzaamheid verschuldigd zijn in alles wat onder de rechtmatige uitoefening van zijn ambt valt. Zo vormt de Kerk van Christus, met behoud van de eenheid van gemeenschap met de paus van Rome en de eenheid in de belijdenis van hetzelfde geloof, één enkele kudde onder één enkele hoogste herder.
  4. Ik erken eveneens dat de bisschoppen de opvolgers van de apostelen zijn, hetgeen hen, volgens goddelijk recht, tot ware herders maakt die in de Kerk, krachtens de wil van Christus, een bijzondere en ondergeschikte jurisdictie bezitten, die zij rechtstreeks van de paus ontvangen. Verenigd met de paus, in onderwerping aan zijn hoogste gezag, oefenen zij rechtmatig hun eigen gezag uit in hun respectievelijke bisdommen, zoals door de Heilige Geest vastgesteld in de door Christus gewilde hiërarchische orde.
  5. Ik erken voorts dat het college van bisschoppen, verenigd met zijn hoofd, de paus van Rome, en nooit zonder dit hoofd, het buitengewone en niet-permanente subject kan zijn van een volledige en hoogste macht over de universele Kerk, maar dat dit slechts plaatsvindt in het kader van een oecumenisch concilie, op initiatief en op bevel van de paus alleen, en binnen de grenzen van zijn exclusieve wil.
  6. Ik verwerp bijgevolg de collegialistische opvattingen die van het college van bisschoppen een permanente rechtspersoon binnen de Kerk zouden maken, of een tweede drager van de hoogste macht, losstaand van de opvolger van Petrus. De monarchische grondwet van de Kerk is van goddelijke en onveranderlijke instelling, en dat zal zo blijven tot het einde van de tijden, want niemand kan de functie herdefiniëren die Christus zelf aan Petrus in Zijn Kerk heeft toegekend.
  7. Evenzo verwerp ik synodale opvattingen die erop gericht zijn de hiërarchische Kerk om te vormen tot een raadgevende, parlementaire of democratische structuur, onderworpen aan de wisselende meningen van het christelijke volk of aan de druk van de wereld. Het collectieve geweten van de gelovigen, pastorale enquêtes, culturele gevoeligheden en de verwachtingen van de wereld zijn geen bronnen van de Openbaring. Het legitiem luisteren naar de zielen mag nooit uitmonden in een voortdurende aanpassing van het leven van de Kerk, haar doctrine en haar goddelijke constitutie aan de geest van de wereld, onder het voorwendsel dat men de “sensus fidei” van het volk van God interpreteert.

X. Het Leergezag, bewaker van de geopenbaarde geloofsschat

  1. Ik geloof dat de paus onfeilbaar is wanneer hij ex cathedra spreekt, dat wil zeggen wanneer hij, in de uitoefening van zijn ambt als herder en leraar van alle christenen, op grond van zijn hoogste apostolische gezag vaststelt dat een leerstelling betreffende het geloof of de zeden door de universele Kerk moet worden aanvaard.
  2. Ik belijd bovendien dat het leerambt in de Kerk in wezen gericht is op de bewaring van de geopenbaarde geloofsschat en, door middel daarvan, op het heil van de zielen. De Heilige Geest is niet aan de opvolgers van Petrus beloofd opdat zij een nieuwe leer zouden openbaren, maar opdat zij de door de apostelen overgeleverde geloofsschat op heilige wijze zouden bewaren en getrouw zouden uiteenzetten.
  3. Daarom kan het huidige Leergezag niet wezenlijk in tegenspraak zijn met het vroegere Leergezag. Het levende Leergezag is niet de huidige verkondiging in tegenstelling tot de verkondiging uit het verleden; het is de voortdurende en ononderbroken verkondiging van dezelfde geloofswaarheid in dezelfde betekenis door de eeuwen heen. De paus en de bisschoppen zijn niet de meesters van de Openbaring; zij zijn de hoeders ervan en zijn eraan onderworpen zoals de leerling aan de meester. Zij kunnen noch het geloof veranderen, noch de goddelijke constitutie van de Kerk wijzigen, noch goed verklaren wat in strijd is met de Wet van God.
  4. Ik verwerp dan ook elke evolutionaire opvatting van het dogma, volgens welke de geopenbaarde waarheden in de loop van de geschiedenis van betekenis zouden veranderen. Er kan binnen de Kerk sprake zijn van een homogene vooruitgang in het begrip, waardoor de betekenis van de geopenbaarde waarheid beter, duidelijker en explicieter wordt verklaard; maar nooit van een verandering in de betekenis van die waarheid. Wat reeds is onderwezen door het levende Leergezag van de lerende Kerk, en is geloofd in de geloofsbelijdenis van de onderwezen Kerk, kan niet onwaar worden; wat is veroordeeld als in strijd met het geloof, kan niet legitiem worden; wat behoort tot de goddelijke constitutie van de Kerk, kan niet worden hervormd volgens de categorieën van de moderne wereld of de historisch-culturele context.
  5. Ik verwerp dan ook het idee van een nieuw Leergezag, dat zou beweren zich te baseren op de huidige tijd om leerstellingen op te leggen die in strijd zijn met of vreemd zijn aan de ononderbroken Traditie. Ik verwerp eveneens de kunstmatige tegenstelling tussen het Leergezag van weleer en dat van vandaag, alsof het enige levende Leergezag van de Bruid van Christus dat van het heden zou zijn en, onder het voorwendsel van een betere aanpassing, zou kunnen verloochenen wat de Kerk sinds de tijd van de apostelen altijd heeft onderwezen, geloofd en veroordeeld.
  6. Ik ben van mening dat, met inachtneming van de legitieme vrijheid van onderzoek en mening van theologen met betrekking tot openstaande of omstreden leerstellige kwesties, het Leergezag van de Kerk de legitieme plicht heeft om toezicht uit te oefenen en, indien nodig, censuur op te leggen aan publicaties, om te voorkomen dat deze het geloof van de gelovigen in gevaar brengen. Ik verwerp dan ook de beschuldiging tegen de heilige Kerk dat zij een gebrek aan naastenliefde zou hebben getoond door ketterijen te vervloeken en ketters te excommuniceren.
  7. Ik verwerp eveneens de voortdurende dialoog die in de geest van het laatste concilie is ingesteld, waarbij de hiërarchie afziet van het uitoefenen van een waarachtig Leergezag en beweert soms haar inspiratie te putten uit de “geloofszin” van het gelovige volk, en soms op gelijke voet te discussiëren met aanhangers van valse godsdiensten, of zelfs met ongelovigen. 
  8. Ten slotte verwerp ik de subjectivistische opvatting van theologisch pluralisme, die voortvloeit uit een dergelijke afstand doen van de onderwijzende opgave. Ik ben van mening dat de Kerk geen gemeenschap is die voortdurend op zoek is, maar dat zij de bewaarder is van een door God geopenbaarde en door de apostelen overgeleverde waarheid, en dat haar authentiek Leergezag, dat door de eeuwen heen de ononderbroken overdracht van het geopenbaard erfgoed waarborgt, de directe en universele maatstaf is voor de waarheid op het gebied van geloof en zeden.

XI. De morele orde en de Wet van God

  1. Ik belijd dat er een morele orde bestaat die werkelijk in de eeuwige wijsheid van God is gegrondvest. Menselijke handelingen zijn goed of slecht naargelang zij in overeenstemming zijn met of in strijd zijn met de goddelijke, heilige en onveranderlijke Wet. Individuele meningen, maatschappelijke consensus, subjectieve bedoelingen en historische omstandigheden kunnen de onschendbare waarde van deze beginselen van de christelijke moraal niet veranderen. 
  2. Uit de onmetelijke goedheid waarmee God de mens tot de bovennatuurlijke orde heeft verheven, volgt dat de mens slechts één ultiem, bovennatuurlijk doel heeft, waarop hij volgens Gods plan gericht blijft, zelfs na de zonde. Dit bovennatuurlijke doel omvat, verheft en vervolmaakt het doel van de natuurlijke orde van de mens. 
  3. De natuurwet, die door God in de natuur van de mens is ingeschreven, blijft door het gezonde verstand kenbaar en is voor alle mensen bindend. De geopenbaarde positieve wet, van bovennatuurlijke orde, bevestigt, verheft en verduidelijkt deze door haar te overstijgen. Er bestaat dus geen tegenstelling tussen de wet van het Evangelie en de natuurwet; sterker nog, dezelfde genade schenkt de mens de kracht om op bovennatuurlijke wijze trouw te blijven aan hun respectievelijke eisen, en zo te genieten van die vrijheid van de kinderen van God waardoor hij, bevrijd van de macht van de zonde, naar zijn uiteindelijke doel kan streven. 
  4. Ik verwerp dan ook de situatiemoraal, volgens welke concrete omstandigheden handelingen die intrinsiek slecht zijn, goed zouden kunnen maken. In het bijzonder ben ik van mening dat geen enkele omstandigheid ooit het gebruik van anticonceptie, abortus en euthanasie kan rechtvaardigen. Ik verwerp elke leer die zou beweren dat gedrag dat objectief in strijd is met de geboden van God, voor sommigen het edelmoedige antwoord zou kunnen vormen dat God op dit moment vraagt. God gebiedt nooit zonde noch het onmogelijke; Hij zegent nooit morele wanorde en rechtvaardigt nooit wat in strijd is met Zijn eigen Wet; maar aan degene die zijn best doet, onthoudt Hij nooit Zijn genade om Zijn geboden te onderhouden.
  5. Ik belijd dat overspelige relaties, onnatuurlijke verhoudingen en alle openbare situaties die in strijd zijn met de goddelijke Wet, niet kunnen worden voorgesteld als minder volmaakte gegevenheden, gaven van God, positieve stappen of realiteiten die als zodanig gezegend kunnen worden. Een dergelijke misleidende voorstelling doet ernstig afbreuk aan de beginselen van de christelijke moraal en tast het heilige instituut van het huwelijk en het welzijn van gezinnen aan.
  6. Ik verwerp dan ook, als in strijd met het geloof en de vaste leer van de Kerk, de bewering dat degenen die openlijk in dergelijke toestanden volharden zonder afstand te doen van hun wanorde, tot de sacramenten mogen worden toegelaten, en in het bijzonder tot het ontvangen van de allerheiligste Eucharistie. Ware barmhartigheid roept de zondaar op tot bekering; zij bekrachtigt de zonde niet onder het voorwendsel van pastorale begeleiding of het onderscheiden van bijzondere situaties.
  7. Evenzo verwerp ik de hedendaagse scheiding tussen leer en zielzorg. Een zielzorg die in tegenspraak is met de leer is geen zielzorg; ze leidt de zielen op een dwaalspoor. Naastenliefde bestaat niet uit het verzwijgen van de waarheid om leed te voorkomen, maar uit het met welwillendheid spreken van de waarheid om tot het heil te leiden. De geneeskunde van de Kerk kan alleen genezen door het kwaad bij naam te noemen, tot boetedoening op te roepen en de geneesmiddelen van de genade aan te bieden.
  8. Ten slotte belijd ik dat God niet alleen de Schepper en het doel van de morele orde is, maar ook haar bewaker, haar rechter en de soevereine vergelder van het goede en het kwade. Het vergeten van het goddelijke oordeel leidt tot een valse barmhartigheid, die sentimenteel en machteloos is en die niemand redt omdat zij niemand bekeert.

XII. Het sociale Koningschap van Christus en de christelijke maatschappij

  1. Ik belijd dat de Allerheiligste Drie-eenheid niet alleen door elke mens afzonderlijk, maar ook door gezinnen, instellingen en burgerlijke samenlevingen kan en moet worden erkend en aanbeden. Geen enkele menselijke autoriteit staat los van God, want alle autoriteit komt van Hem en moet worden uitgeoefend volgens de eeuwige Wet. 
  2. Ik belijd dat maatschappelijke organisaties, net als individuen, de plicht hebben om deze enige en ware God, namelijk Jezus Christus, het vleesgeworden Woord, de tweede Persoon van de Heilige Drie-eenheid, te erkennen en te eren, en Hem de eerbied te betonen die Hem toekomt, in de ware godsdienst die door Hem is geopenbaard en ingesteld. 
  3. Ik belijd dat de autoriteiten die deze samenlevingen besturen, het algemeen welzijn moeten bevorderen door zich te houden aan de dubbele goddelijke Wet, de natuurlijke en de geopenbaarde Wet. Het gebruik van de vrijheid bestaat niet in het de vrije loop laten van alle grillen van de begeerlijkheid, maar in het kiezen van de beste manier om de goederen van deze wereld te gebruiken met het oog op het eeuwig heil.
  4. Ik verwerp dan ook het moderne secularisme, dat pretendeert de samenleving in te richten alsof God niet bestaat. De publieke weigering om God als soevereine Heer te erkennen is geen neutraliteit, maar een sociale onrechtvaardigheid jegens de Schepper en een diepgaande oorzaak van wanorde onder de volkeren. Een samenleving die God de eer ontzegt die Hem toekomt, vernietigt immers geleidelijk aan de grondslagen van haar eigen rechtvaardigheid: zij snijdt de menselijke wet af van haar eeuwige bron en levert de volkeren over aan de wisselende grillen van de gevallen mens. 
  5. Ik belijd dat Onze Heer Jezus Christus, omdat Hij het vleesgeworden Woord is en omdat Hij de mensen door Zijn Bloed heeft verlost, niet alleen Koning is van de individuen, maar ook van de gezinnen, de instellingen, de volkeren en de naties. Aan Hem is alle macht gegeven in de Hemel en op aarde: Zijn heerschappij beperkt zich niet tot het innerlijk geweten of de privésfeer; zij moet zich uitstrekken tot het forum externum, tot de wetten, de zeden, het onderwijs, de cultuur en het openbare leven. Zijn Koninkrijk is eeuwig en universeel: een Koninkrijk van waarheid en leven, een Koninkrijk van heiligheid en genade, een Koninkrijk van gerechtigheid, liefde en vrede.
  6. Ik belijd dat de burgerlijke samenleving, hoewel volmaakt in haar eigen orde, niet over alle middelen beschikt die nodig zijn om de mens tot zijn ware volmaaktheid te leiden, welke voor de gevallen menselijke natuur ontoegankelijk blijft zonder de hulp van de genezende en verheffende genade. 
  7. Daarom belijd ik dat degenen die de samenleving besturen, zich moeten onderwerpen aan de heilzame invloed van de Kerk, die de verstandelijke vermogens verlicht door haar Leergezag, de wil geneest en versterkt door de genade van de sacramenten, en de mens leidt naar zijn ware bovennatuurlijke bestemming, waarover zij de hoede heeft. Het welzijn van de samenleving vereist bijgevolg dat staatshoofden hun recht en plicht erkennen om de heilige Kerk te bevorderen en te beschermen, en zich door middel van de wetten van hun regering te verzetten tegen alles wat een belemmering zou vormen voor haar noodzakelijke invloed, die de invloed is van de enige ware godsdienst. 
  8. Ik verwerp dan ook het politieke en religieuze liberalisme: niet alleen datgene dat voor de dwaling dezelfde rechten opeist als voor de waarheid, en voor de valse godsdiensten dezelfde officiële en openbare erkenning als voor de ware; maar ook datgene dat, in naam van de menselijke waardigheid en een valse godsdienstvrijheid, aan eenieder het recht toekent om in het openbaar naar zijn geweten te handelen zonder daarbij door het burgerlijk gezag te worden tegengehouden, zelfs wanneer dat geweten onjuist is en in strijd is met het algemeen welzijn of de ware godsdienst. 
  9. Ik geef toe dat dwaling in bepaalde gevallen kan worden getolereerd om groter kwaad te voorkomen, of om het grotere goed van de burgerlijke vrede te behouden, maar ik ben van mening dat zij op zichzelf geen moreel recht heeft om op dezelfde wijze als de waarheid te worden verdedigd of aangemoedigd, noch om nooit te worden belemmerd in naam van een valse gewetensvrijheid. 
  10. Ik ben eveneens van mening dat, hoewel de mens een ontologische waardigheid bezit die hem boven materiële wezens verheft, de te eerbiedigen menselijke waardigheid niet onverschillig staat tegenover het ware en het valse dat mensen belijden, noch tegenover het goede en het kwade dat zij verrichten: wie het valse belijdt of het kwade verricht, verliest zijn morele waardigheid. Daarom doet de legitieme autoriteit, wanneer zij het algemeen welzijn tegen ernstige misstanden verdedigt en misdrijven overeenkomstig de eisen van de rechtvaardigheid bestraft met evenredige straffen, op geen enkele wijze afbreuk aan de menselijke waardigheid 1.
  11. Ik verwerp eveneens deze moderne vorm van personalisme die de Kerk de opdracht zou willen toekennen om de waardigheid van de menselijke persoon te beschermen en een universele broederschap tot stand te brengen op basis van deze zogenaamd gemeenschappelijke waardigheid van het menselijk geslacht – zonder onderscheid te maken tussen, enerzijds, de ware waardigheid van de christen die afstand doet van de zonde om volgens de evangelische moraal in de katholieke Kerk te leven, en anderzijds de valse waardigheid van hen die, verdwaald in dwaling en ondeugd, de weg naar het heil afwijzen.
  12. Ik veroordeel de daaruit voortvloeiende verdraaiing, die erop gericht is van de Kerk, zo niet de dienares, dan toch ten minste de medewerkster van de wereld te maken bij de verwezenlijking van haar eigen ideaal: dat van een louter aardse en tijdelijke vrede, gegrondvest op een naturalistische vervolmaking van de mensheid, zonder bovennatuurlijk perspectief. Dit ideaal bevordert de onafhankelijkheid van de mens ten opzichte van God, Zijn Wet, de waarheid en het goede; houdt minachting in voor het sociale Koningschap van Christus en het christendom; en leidt uiteindelijk tot atheïsme en tot de vervanging van God door de mens.
  13. Ik verwerp eveneens het moderne vooroordeel dat de christelijke beschaving afschildert als onderdrukkend, onverlicht of vijandig tegenover de menselijke waardigheid. De christelijke orde vernietigt geenszins het goede in de verschillende culturen, maar omarmt en zuivert het juist. Zo is er, uitgaande van de geopenbaarde leer en door de uitstraling van de katholieke theologie, in het bijzonder die van de heilige Thomas van Aquino, de doctor communis, onder toezicht van het Leergezag een ware christelijke cultuur van universele reikwijdte ontstaan, waarin de beste elementen van de Griekse en Latijnse culturen zijn geïntegreerd. Als authentieke vrucht van het Evangelie heeft zij bijgedragen aan de opvoeding van de volkeren en aan hun groei in het geloof en de christelijke deugden. Zelfs indien niet alles volmaakt was – aangezien de mens altijd zondig blijft – was in de geschiedenis deze beschaving niettemin de hoogste verwezenlijking van de christelijke sociale orde. 
  14. Daarentegen heeft de moderne afwijzing van het sociale Koningschap van Christus geleid tot een achteruitgang van de beschaving, door de secularisatie van de instellingen, de ontbinding van het huwelijk, de vernietiging van het gezag, het goddeloze onderwijs, de tirannie van de hartstochten en het geleidelijk verdwijnen van de geest van opoffering in de voorheen katholieke naties. Tegen deze openbare afvalligheid belijden wij dat alles in Christus moet worden hersteld, die de enige Heilige is en tevens, door middel van Zijn mystiek Lichaam, de Heiligmaker van zielen en volkeren.

XIII. De sacramenten van de Nieuwe Wet

  1. Ik geloof dat er zeven eigenlijke sacramenten van de Nieuwe Wet bestaan, ingesteld door Onze Heer Jezus Christus om de genade die zij symboliseren op geldige wijze te verlenen: het Doopsel, het Vormsel, de Eucharistie, de Biecht, het heilig Oliesel, de Priesterwijding en het Huwelijk.
  2. Ik belijd dat de sacramenten geldig moeten worden toegediend, dat wil zeggen met de voorgeschreven materie, vorm en intentie, met inachtneming van de liturgische riten die het katholiek geloof duidelijk tot uitdrukking brengen; en dat zij met de vereiste instelling moeten worden ontvangen.
  3. Ik geloof dat het Doopsel de poort van de Kerk is en noodzakelijk is voor het heil. Gewoonlijk kan niemand gered worden zonder dit te ontvangen; door dit sacrament wordt de mens gereinigd van de erfzonde, met Christus verenigd, met het christelijke merkteken getekend en lid van de Kerk gemaakt. Daarom keur ik de praktijk af waarbij het Doopsel van kinderen die nog niet bij verstand zijn, zonder ernstige reden wordt uitgesteld. Wie echter, na het bereiken van de leeftijd van het verstand en buiten zijn eigen schuld, verhinderd wordt om toegang te krijgen tot dit sacrament, kan op buitengewone wijze gered worden door het doopsel van het verlangen, dat wil zeggen door een bovennatuurlijke daad van geloof en volmaakte liefde die hem tot de Kerk leidt.
  4. Ik belijd dat het Vormsel de gedoopte sterkt door de gave van de Heilige Geest, opdat hij moedig het geloof belijdt, weerstand biedt aan de vijanden van het heil en leeft als getuige van Christus. In een tijd van verwarring is deze bovennatuurlijke kracht bijzonder noodzakelijk, want niemand kan het geloof behouden zonder ervoor te strijden.
  5. Ik belijd dat de Biecht vergeving schenkt voor de zonden die na het Doopsel zijn begaan, door middel van de handelingen van de boeteling, namelijk berouw, biecht en genoegdoening. Ik verwerp resoluut elke pastorale benadering die het besef van zonde verzwakt, de noodzaak van de sacramentele Biecht bagatelliseert, of de genoegdoening reduceert tot een louter herstelproces ten opzichte van zichzelf of anderen, zonder verwijzing naar de tegen God begane overtreding.
  6. Ik belijd dat het heilig Oliesel de zieken troost en sterkt, de zonden indien nodig vergeeft, krachtig bijdraagt aan het uitwissen van de straf die de zonde met zich meebrengt, en de christelijke ziel voorbereidt om voor God te verschijnen. 
  7. Ik bevestig dat het Huwelijk de stabiele en onverbrekelijke verbintenis is tussen een man en een vrouw, door Christus verheven tot de waardigheid van een sacrament tussen gedoopten. Het doel van deze verbintenis, vastgesteld door God, de Schepper van de natuur, is tweeledig: enerzijds het voortbrengen en opvoeden van kinderen, wat het primaire en belangrijkste doel van het huwelijk vormt; anderzijds de wederzijdse ondersteuning van de echtgenoten en de beheersing van de wellust, wat de secundaire doelen zijn – ware en wezenlijke doelen, maar van nature ondergeschikt aan het eerste.
  8. Ik verwerp dan ook elke leer die verbintenissen die in strijd zijn met het huwelijk beschouwt als werkelijke, zij het onvolmaakte, deelname aan het huwelijk; of die, door het huwelijk uitsluitend te willen definiëren op basis van de liefde tussen de echtgenoten, de hiërarchie van de doelen van het huwelijk tenietdoet, met het risico dat echtscheiding, de weigering om kinderen te krijgen en daarmee anticonceptie – die nochtans in strijd is met het natuurrecht – worden gelegitimeerd.
  9. Ik belijd dat het Sacrament van de Priesterwijding in degene die het ontvangt het priesterlijk merkteken inprent, waardoor hij gelijkvormig wordt gemaakt aan Christus de Hogepriester, en dat geen enkele vrouw dit sacrament kan ontvangen, in welke mate dan ook. Hierdoor ontvangt de priester de bevoegdheid om het heilbrengende Offer voor de levenden en de doden op te dragen, zonden te vergeven en de gelovigen te heiligen. Ik verwerp dan ook elke verwarring tussen het priesterschap, in de ware en eigenlijke zin van de dienaren van Christus, en het algemene priesterschap, dat in onjuiste zin wordt gebruikt voor de gelovigen: de gelovigen offeren geestelijk samen met de priester en door de priester; maar alleen de naar behoren gewijde priester verricht en offert het Offer sacramenteel in de Persoon van Christus.

XIV. Het heilig Misoffer, de heilige Eucharistie en de katholieke liturgie

  1. Ik belijd dat de Mis werkelijk, in de eigenlijke zin van het woord, een offer is. Zij is niet slechts een herdenking van het Laatste Avondmaal of van het Lijden; wanneer zij door een naar de regels gewijde priester wordt opgedragen, stelt zij sacramenteel het unieke Offer van Golgotha tegenwoordig en vernieuwt zij dit op onbloedige wijze, zonder het echter te vermenigvuldigen. Het Slachtoffer is hetzelfde, de Hoofdpriester is dezelfde; alleen de wijze van offeren verschilt.
  2. In de Mis, en door toedoen van Zijn dienaar, offert Onze Heer Jezus Christus Zichzelf aan Zijn Vader op als een Offer van aanbidding, dankzegging, verzoening en smeekbede. Door zich te verenigen met deze handeling van Christus, die identiek is aan die van de celebrerende priester, brengt de Kerk God de volmaakte eredienst die Hem toekomt, en past zij de verdiensten van het Kruisoffer toe op de zielen van de levenden en de overledenen.
  3. Ik geloof dat, door de woorden van de Consecratie die door een priester geldig worden uitgesproken, het brood en de wijn in hun gehele substantie worden veranderd in het Lichaam en het Bloed van Christus, hoewel hun zintuiglijke eigenschappen behouden blijven. Deze wonderbaarlijke verandering wordt terecht transsubstantiatie genoemd.
  4. Ik geloof dat de allerheiligste Eucharistie het middelpunt vormt van het leven van de Kerk, en dat zij waarlijk, werkelijk en wezenlijk het Lichaam, het Bloed, de Ziel en de Godheid van Onze Heer Jezus Christus bevat. Ik aanbid het Allerheiligst Sacrament op het altaar en verwerp elke leer of praktijk die het geloof in de werkelijke aanwezigheid verzwakt, het respect voor de Eucharistie vermindert, de Communie bagatelliseert of het heilige karakter van het heiligdom aantast.
  5. Omdat de liturgie de bevoorrechte uitdrukking van het geloof is, is zij tevens de permanente school waar de christelijke ziel wordt gevormd. Door haar oriëntatie, haar stilte, haar gebaren, haar canon, haar heilige taal, haar geest van aanbidding en haar theocentrische structuur voedt de liturgie het geloof en oefent zij een diepgaande invloed uit op de zielen. Door haar leren de volkeren te denken volgens Gods Wil, te oordelen vanuit het oogpunt van de eeuwigheid, het heilige lief te hebben, het vergankelijke te verachten en hun gehele leven te richten op het Offer van Christus. Zij vormt tevens de zeden en inspireert de kunsten, de instellingen, de feesten en de gebruiken van het christelijke volk. Daarom verzwakt de goddelijke eredienst, wanneer deze prozaïsch, inhoudsloos, dubbelzinnig, profaan of antropocentrisch wordt, het begrip van het geloof zelf. 
  6. Ik belijd dat de traditionele Romeinse Mis, gevierd volgens de ritus die vóór de hervorming van de Novus Ordo Missae in gebruik was, met een onvergelijkbare helderheid de katholieke leer van het Offer, het priesterschap en de werkelijke aanwezigheid tot uitdrukking brengt. Maar ik constateer met smart dat de hedendaagse liturgische hervormingen zich aanzienlijk van de traditionele liturgie hebben verwijderd, zowel in het algemeen als in de details: daardoor hebben zij het offer- en verzoenende karakter van de Mis verduisterd, een democratische opvatting van de eredienst bevorderd, de katholieke liturgische uitdrukking dichter bij protestantse opvattingen gebracht en zo in belangrijke mate bijgedragen aan het verlies van het besef van het heilige, aan de aantasting van de christelijke geest, aan de afname van roepingen en aan de algemene verzwakking van het geloof.
  7. Ik verwerp dan ook elke hervorming of elk liturgisch gebruik dat, door weglating, leerstellige dubbelzinnigheid of praktische oriëntatie, ketterij in de hand werkt, het geloof verzwakt, afwijkt van de katholieke leer over de Mis zoals geformuleerd tijdens het Concilie van Trente, of de gelovigen afleidt van de aanbidding die God toekomt. De openbare eredienst van de Kerk moet het katholiek geloof ondubbelzinnig tot uitdrukking brengen.
  8. Ten slotte ben ik ervan overtuigd dat het katholiek herstel van de volkeren noodzakelijkerwijs gepaard gaat met het herstel van de goddelijke eredienst, door middel van de traditionele liturgie van alle tijden. Waar de Mis wordt gevierd als het ware Offer van Christus, herleven het geloof, de vroomheid, het leven in de genade, de christelijke gezinnen, de roepingen en het verlangen naar de eeuwige goederen.

XV. Het christelijk leven, de heiligheid en de volmaaktheid van de liefde

  1. Ik geloof dat de hoogste roeping van de mens de heiligheid is. Geschapen door God, verlost door Christus en geheiligd door het werk van de Heilige Geest, is de mens geroepen om deel te hebben aan het leven van God zelf door een steeds grotere overeenstemming met Zijn Wil, om zo de volmaakte en definitieve vereniging met Hem in de heerlijkheid te bereiken.
  2. Ik geloof dat de heiligmakende genade de mens tot een aangenomen kind van de Vader maakt, tot een lidmaat van Jezus Christus, tot een tempel van de Heilige Geest en tot een erfgenaam van het eeuwig leven. Zij maakt de ziel God welgevallig, schenkt haar een geschapen deelname aan de goddelijke Natuur, stelt haar in staat tot bovennatuurlijke handelingen en richt haar op de zalige aanschouwing. De theologische deugden van geloof, hoop en liefde verenigen de ziel rechtstreeks met God; de ingestorte morele deugden brengen haar gedrag in overeenstemming met de goddelijke Wet; de gaven van de Heilige Geest stellen haar in staat om Zijn ingevingen gehoorzaam te ontvangen, waardoor de deugden hun uiteindelijke volmaaktheid verkrijgen.
  3. Ik geloof dat het christelijk leven voor een zeer belangrijk en niet te verwaarlozen deel bestaat uit een geestelijke strijd. Sinds de zondeval blijft de mens blootgesteld aan de verleidingen van de wereld, het vlees en de duivel. De genade maakt niet een einde aan deze strijd: zij schenkt de nodige kracht om deze zegevierend te voeren.
  4. Ik geloof dat de weg naar de heiligheid loopt via de navolging van Jezus Christus, de gehoorzaamheid aan Zijn geboden, het gebed, de sacramenten, de boetedoening, de zelfverloochening, de trouw aan de plicht van de eigen stand en de liefde voor het Kruis. De leerling staat niet boven de Meester: wil hij de heerlijkheid binnengaan, dan moet hij in de voetsporen van de gekruisigde Christus treden.
  5. Ik verwerp dan ook het valse christendom zonder Kruis, dat aardse vrede belooft zonder bekering, barmhartigheid zonder boetedoening, broederschap zonder afhankelijkheid van Gods Vaderschap, en heiligheid zonder heldendom. De Kerk heeft nooit middelmatigheid, aanpassing aan de wereld of louter een natuurlijke goede wil heilig verklaard; zij heeft haar gelovigen de heiligen ter navolging voorgesteld wier geloof onberispelijk was, wier naastenliefde heldhaftig was en wier leven in overeenstemming was met dat van Christus.
  6. Ik verwerp dan ook elke reductie van het christelijk leven tot een vage filantropie, tot sociale gevoeligheid of tot een aardse inzet. Christelijke naastenliefde wordt niet in de eerste plaats afgemeten aan gedeelde emotie of zichtbaar nut, maar aan de bovennatuurlijke liefde voor God boven alles en voor de naaste omwille van God. Zelfs de lichamelijke barmhartigheid verliest haar ware betekenis en haar authentieke waarde wanneer zij niet langer gericht is op de geestelijke barmhartigheid en het eeuwige heil.
  7. Ik belijd dat heiligheid de mooiste vrucht van de Kerk is. De martelaren, de belijders, de maagden, de monniken, de missionarissen, de kerkleraren, de herders en alle trouwe heilige zielen getuigen van de kracht van de waarheid, van de vruchtbaarheid van de genade en van de overwinning van Christus op de zonde.

XVI. De uiteindelijke doelen en de christelijke hoop

  1. Ik geloof dat het huidig leven een tijd van voorbereiding op de eeuwigheid is en dus ook een tijd van beproeving. De mens heeft hier op aarde geen definitieve verblijfplaats: hij is geschapen voor een bovennatuurlijke bestemming die de vergankelijke goederen van deze wereld oneindig overstijgt. Ik geloof in het leven na de dood, waar men binnentreedt door de scheiding van ziel en lichaam.
  2. Ik geloof dat ieder aan het einde van het aards leven eerst voor het oordeel van Christus zal verschijnen voor het particulier oordeel en, naar gelang zijn gedachten, woorden, daden en nalatigheden, het vonnis over zijn eeuwige bestemming zal ontvangen; ik geloof ook dat aan het einde van de tijden Onze Heer Jezus Christus in Zijn glorie zal terugkeren om het algemeen oordeel te laten plaatsvinden.
  3. Ik bevestig met liefde en eerbied dat in Gods werken zowel barmhartigheid als gerechtigheid schitteren. De zonde van de mens heeft de glorie van de Schepper aangetast; de mens is een schuldenaar van God geworden, en de goddelijke gerechtigheid eist genoegdoening; maar in Zijn oneindige barmhartigheid heeft God ons een Verlosser geschonken die, als Hoofd van de mensheid, Zichzelf voor de zonden van de hele wereld heeft geofferd; een genoegdoening die tot onze medewerking oproept.
  4. Ik vertrouw op de oneindige barmhartigheid van God: er is geen zonde die Hij niet kan vergeven, noch enig leed dat Hij niet wil verlichten; maar ik verwerp ten stelligste die barmhartigheid zonder gerechtigheid die het nieuwe humanisme predikt, namelijk die van een god die de zonde niet bestraft, niemand veroordeelt en geen bekering eist, en die eerder de zonde rechtvaardigt dan de zondaar.
  5. Ik belijd dat de zielen die in staat van doodzonde sterven, veroordeeld zijn tot de verschrikkelijke afgrond van de hel, de eeuwige straf van het verlies van God en de eeuwige straf van het vuur. Ik verwerp elke leer die de eeuwigheid van de hel ontkent, de realiteit van de eeuwige straffen bagatelliseert, of suggereert dat alle mensen uiteindelijk zullen worden gered, waardoor de hel leeg zou blijven.
  6. Ik geloof dat zielen die in staat van genade sterven, maar nog tijdelijke straffen moeten ondergaan, in het vagevuur worden gezuiverd. Ik belijd dan ook de noodzaak om voor de overledenen te bidden en de voorbeden van de Kerk aan hen toe te wijden, en ik verwerp de leugens die iedereen onmiddellijke toegang tot het huis van de Vader beloven, waardoor de vrome gewoonte van de Kerk om voortdurend voor de doden te bidden teniet wordt gedaan.
  7. Ik verwerp in het bijzonder de valse pastorale taal die, uit vrees de gewetens te verontrusten, zwijgt over het oordeel, de hel en de noodzaak van boetedoening. Het is geen naastenliefde om voor de mensen te verbergen welk eeuwig gevaar de zonde voor hen inhoudt. De verkondiging van de laatste dingen behoort tot de barmhartigheid van de Kerk, omdat zij de zielen wakker schudt en hen naar het heil leidt.
  8. Ten slotte bevestig ik dat de zielen die in vriendschap met God sterven, volkomen gezuiverd, onmiddellijk het eeuwig leven binnengaan en de zalige aanschouwing genieten. Zij aanschouwen God van aangezicht tot aangezicht, zoals Hij is, en vinden in Hem hun eeuwige rust. Het christelijk leven is gericht op deze zaligheid; elke pastorale benadering die het menselijk geluk reduceert tot aardse welvaart, sociale vrede of louter psychologische ontplooiing, verraadt het bovennatuurlijk doel van het Evangelie.
  9. De christelijke hoop is dus noch aards optimisme, noch onzekerheid vermengd met vrees. Zij is een vol vertrouwen verwachten van het eeuwige Rijk, gegrondvest op de beloften van God en gevoed door de genade. Zij stelt de christen in staat om hier op aarde te werken zonder te vergeten dat zijn vaderland in de Hemel is, en de dwalingen van deze tijd te bestrijden zonder de vrede van de ziel te verliezen.

XVII. De huidige crisis en de plicht om het geloof te belijden

  1. Ik geloof dat de Kerk, bijgestaan door de goddelijke Voorzienigheid, onwankelbaar blijft tot het einde van de tijden. De belofte van Christus kan niet falen: de poorten van de hel zullen haar nooit overweldigen.
  2. Ik geloof echter dat de geschiedenis van de Kerk periodes van beproeving kent, waarin de belijdenis van het ware geloof ernstig wordt aangetast, waarin dwalingen zich verspreiden, waarin de discipline verzwakt en waarin talrijke zielen op een dwaalspoor worden gebracht.
  3. Ik erken in het bijzonder dat de moderne dwalingen een geduchte bedreiging vormen voor de gehele katholieke orde, en dat hun doordringing in het leven van de Kerk, onder invloed van het Tweede Vaticaans Concilie en de postconciliaire hervormingen, een crisis van uitzonderlijke ernst heeft veroorzaakt: het agnosticisme tast de kennis van God aan; het naturalisme tast de noodzaak van de genade aan; het subjectivisme tast het bovennatuurlijke principe van het geloof aan; het relativisme tast de onveranderlijkheid van het dogma aan; de situatiemoraal tast de goddelijke Wet aan; het liberalisme tast het sociale Koningschap van Christus aan; het valse oecumenisme tast de eenheid van de Kerk aan; collegialiteit en synodaliteit tasten de goddelijke opbouw van de Kerk in haar hiërarchie aan; het liturgisch antropocentrisme tast het heilig Misoffer aan.
  4. De huidige crisis kan dan ook niet worden gereduceerd tot louter een conflict van gevoeligheden, liturgische voorkeuren of pastorale keuzes. Zij raakt aan de fundamenten van het geloof en de moraal zelf, van het priesterschap en de eredienst, van de Kerk en het Koningschap van Christus. 
  5. Deze dwalingen blijven niet abstract, maar hebben zichtbare vruchten voortgebracht: de verzwakking van de leerstellige prediking, de verwatering van de missionaire geest, de banalisering van de zonde, de crisis van het gezin, de teloorgang van de liturgie, het verlies van het Godsbesef, de afname van roepingen, de stille afvalligheid van de christelijke naties en de diepe verwarring onder de gelovigen.
  6. Daarom volstaat het vandaag de dag niet meer om de katholieke waarheden in algemene bewoordingen te bevestigen, zonder tegelijkertijd de dwalingen aan de kaak te stellen die deze trachten te ondermijnen. Liefde jegens de zielen vereist de helderheid van de volledige waarheid, zonder enige dubbelzinnigheid.
  7. Deze crisis kan alleen worden overwonnen door het herstel van alle dingen in Jezus Christus, door de terugkeer tot het geloof, tot het leven in genade, tot de goddelijke eredienst en tot het streven naar heiligheid.
  8. In deze pijnlijke omstandigheden, zonder iemand te veroordelen of mij het gezag van de Kerk toe te eigenen, kan ik niet nalaten het geloof te belijden waarvan de belijdenis wordt afgezwakt, de Traditie in herinnering te brengen die wordt verbannen, de moraal te verdedigen, de liturgie te bewaren en de rechten van Christus te verkondigen.

Conclusie

  1. Trouw aan het eeuwige Rome, dat de door de apostelen overgeleverde geloofsschat bewaart, wil ik dit erfgoed volledig behouden, zonder afbreuk, zonder verandering en zonder vrees, niet als een bijzondere opvatting binnen de hedendaagse Kerk, maar als het geloof dat ik heb ontvangen van de ene, heilige, katholieke, apostolische en rooms-katholieke Kerk.
  2. Want dit geloof is niet van mijzelf: ik heb het ontvangen om er trouw aan te blijven, ernaar te leven, het door te geven en, indien God het vraagt, ervoor te lijden, in het vertrouwvol uitzien naar de triomf van de waarheid en de genade, voor het heil van de zielen en de glorie van de Allerheiligste Drie-eenheid.
  3. Ik vraag God dat Hij mij standvastig moge houden in deze geloofsbelijdenis tot het laatste moment van mijn leven. Ik vertrouw deze geloofsbelijdenis toe aan de voorspraak van de Allerheiligste Maagd Maria, de heilige apostelen, de martelaren, de belijders en alle heiligen die ons zijn voorgegaan in trouw aan Christus.
  4. En in de hoop op de verrijzenis en het leven in de toekomende wereld, leg ik mijn ziel, de Kerk en alle dingen in de handen van God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, aan wie de eer, de glorie en de macht toebehoren in alle eeuwigheid.

Amen.

Gegeven te Menzingen, op 24 juni 2026, de geboortedag van de heilige Johannes de Doper