De plechtigheid van de bisschopswijding (deel 2): de handoplegging, zalvingen en overgave attributen

Bron: District België - Nederland

Na het Graduale en de predicatie onderricht de consecrator de wijdelingen over hun bisschoppelijke taak (admonitio). Daarop volgt de Litanie van alle Heiligen, tijdens welke men bidt om Gods hulp en de voorspraak van de heiligen over de wijdelingen.

Na afloop van de litanie wordt het evangelieboek op het hoofd en de schouders van de wijdeling gelegd, met de tekst naar de wijdeling gericht. Dit drukt enerzijds de zwaarte van het juk van het bisschopsambt uit, maar ook dat de bisschop het Evangelie in zijn verstand dient op te nemen door het te overwegen, opdat hij het ook passend kan doorgeven.

Zoals de catechismus leert, bestaat elke wijding uit materie en vorm. Zo zijn er bij de bisschopswijding, die tot het Sacrament van de Ordo behoort, twee essentiële elementen: materie (een handeling) en vorm (woorden die de handeling begeleiden en verklaren).

De materie is de oplegging van de handen. De wijdende bisschop legt de wijdelingen de handen op, waarbij hij zegt: “Accipe Spiritum Sanctum – Ontvang de H. Geest”. De co-consecratoren doen hetzelfde met de intentie eveneens de bisschopswijding toe te dienen. 

Het opleggen van de handen gaat reeds op de vroegste kerkgeschiedenis terug. In de derde eeuw verklaart de H. Hippolytus dat de handenoplegging het fundamentele deel van de wijdingsceremonie is. De handenoplegging is dus de materie van deze wijding. 

Wat de vorm betreft: deze vinden we terug in het midden van de wijdingsprefatie: “Comple in Sacerdote tuo ministerii tui summam, et ornamentis totius glorificationis instructum, coelestis unguenti rore sanctifica – Voltooi in Uw priester de volheid van Uw ambt, versier hem met het sieraad van Uw heerlijkheid en heilig hem met de dauw van Uw hemelse balsem”. 

De consecrator zingt deze woorden niet, maar zegt deze al sprekend, opdat de wijdingsformule zeker correct uitgesproken wordt.

Onder het zingen van het Veni Creator vindt de zalving van het hoofd plaats. “Uw hoofd worde gezalfd en gewijd met hemelse zegening voor de bisschoppelijke waardigheid.” De nieuwe bisschoppen krijgen een witte linnen band om het voorhoofd gebonden, opdat de olie niet van hun kruin zou lopen.

Vervolgens wordt de wijdingsprefatie weer verder gezongen tot het einde, waarna de zalving van de handen plaatsvindt. Terwijl in de Traditie de priesterhanden met catechumenenolie gezalfd worden, geschiedt dit bij de bisschopswijding met chrisma. De priester kan zaken zegenen (sacramentalia, …), terwijl de bisschop zaken kan consacreren (altaren, kerken, kelken, …). Net zoals bij de priesterwijding worden de handen met een linnen band samengebonden opdat de olie in hun handen zou indringen.

De nieuwgewijde bisschop raakt na de zalving van de handen zijn staf aan en krijgt de bisschopsring opgestoken. Het evangelieboek, dat tot nu toe op de schouders van de nieuwe bisschoppen rustte, wordt gesloten en de nieuwgewijde bisschop raakt het met zijn handen aan. Daarop geven de consecrator en de nieuwgewijde bisschop elkaar de vredeskus.

Daarop gaan ze terug naar hun zijaltaar en purificeren ze hun handen en hoofd. Bovendien wordt hun haar gekamd. 

De nieuwgewijde bisschoppen reiken bij het Offertorium de consecrator twee kaarsen, twee broden en twee kannen wijn. Alles wat nodig is om de H. Mis te voltooien. Opmerkelijk is dat alle offergaven voorzien zijn van een gouden en een zilveren band met het wapenschild van de consecrator en de nieuwe bisschop.

De H. Mis neemt vervolgens haar verdere verloop, maar de nieuw geconsacreerde bisschoppen volgen deze nu aan het hoofdaltaar zodra de consecrator eveneens aan het hoofdaltaar staat. 

Wanneer het moment van de H. Communie is aangebroken, neemt de consecrator slechts een deel van de geconsacreerde Hostie tot zich. De nieuwgewijde bisschoppen communiceren de andere delen van de grote Hostie. Evenzo drinken ze het Kostbaar Bloed uit de kelk van de consecrator.

Op het einde van de ceremonie, na de slotzegen, krijgen de nieuw geconsacreerde bisschoppen hun mijter en de handschoenen

De mijter is de ‘helm des heils’ en de twee Testamenten in de H. Schrift. De bisschop moet ontzagwekkend zijn tegenover de vijanden van het geloof. De twee cornua van de mijter doen ook denken aan de stralen uit het aangezicht van Mozes. De mijter verwijst ook naar het hoofddeksel waarmee God het hoofd van de Hogepriester Aaron liet bedekken.

De handschoenen verwijzen naar de patriarch Jakob, wiens handen eveneens met dierenhuiden waren overtrokken om de zegen van de vader Isaac te ontvangen.

Daarop volgt de intronisatie. De consecrator geleidt zijn wijdelingen naar hun troon aan het altaar.

Hierop  wordt het ‘Te Deum’ aangeheven. Het is een voorgeschreven lofzang om God dank te zeggen. Ondertussen worden de nieuwe bisschoppen door het kerkgebouw geleid. Teruggekeerd naar het altaar wacht men het einde van de lofzang af, waarna zij hun eerste bisschoppelijke zegen geven.

Tenslotte zingen zij hun consecrator driemaal met een kniebuiging als dankbetuiging toe: ‘Ad multos annos! – Nog vele jaren!’