Vraaggesprek met de Algemeen-Overste van de Priesterbroederschap Sint-Pius X

Bron: FSSPX Actualités

Suprema lex, salus animarum

“‘De hoogste wet is het heil van de zielen.’ Van dit hogere principe hangt uiteindelijk de gehele legitimiteit van ons apostolaat af.”

  1. FSSPX.News: Eerwaarde Generaal-Overste, u hebt zojuist publiekelijk uw voornemen aangekondigd tot bisschopswijdingen over te gaan voor de Priesterbroederschap Sint-Pius X, op de komende 1ste juli. Waarom deze aankondiging vandaag, op 2 februari?

Don Davide Pagliarani: Het feest van de Zuivering van de Allerheiligste Maagd Maria heeft binnen de Priesterbroederschap een bijzondere betekenis. Het is de dag waarop de kandidaten voor het priesterschap de soutane ontvangen. De Opdracht van Onze Heer in de tempel, die wij vandaag vieren, herinnert hen eraan dat de sleutel tot hun vorming en voorbereiding op de wijdingen ligt in het geven van zichzelf, dat door de handen van Maria geschiedt. Het is een hoogst belangrijk mariaal feest, want door het aankondigen van een zwaard van smart aan O.L.-Vrouw toont Simeon duidelijk haar rol als Medeverlosseres naast haar goddelijke Zoon. Wij zien haar verenigd met Onze Heer vanaf het begin van Zijn aardse leven tot aan de voltooiing van Zijn offer op Golgotha. Zo begeleidt O.L.-Vrouw ook de toekomstige priester tijdens zijn vorming en gedurende heel zijn leven: zij is het die Christus in zijn ziel blijft vormen. 

  1. Deze aankondiging was de afgelopen maanden een hardnekkig gerucht, vooral sinds het overlijden van Mgr. Tissier de Mallerais in oktober 2024. Waarom hebt u tot nu gewacht?

Zoals aartsbisschop Lefebvre destijds, heeft de Priesterbroederschap er altijd zorg voor gedragen de Voorzienigheid niet vooruit te lopen, maar haar te volgen door zich te laten leiden door haar aanwijzingen. Een beslissing van deze omvang kan niet lichtvaardig of overhaast worden genomen. 

In het bijzonder, aangezien het hier gaat om een aangelegenheid die duidelijk de hoogste autoriteit van de Kerk raakt, was het noodzakelijk eerst een stap te zetten richting de Heilige Stoel – wat wij hebben gedaan – en een redelijke termijn af te wachten om haar de mogelijkheid te geven te antwoorden. Het is geen beslissing die wij hadden kunnen nemen zonder concreet onze erkenning van het gezag van de Heilige Vader tot uitdrukking te brengen.

  1. In uw homilie hebt u inderdaad gezegd dat u de Paus hebt geschreven. Kunt u ons daarover meer vertellen?

Vorige zomer heb ik de Heilige Vader geschreven met het verzoek om een audiëntie. Aangezien ik geen antwoord ontving, heb ik hem enkele maanden later een nieuwe brief geschreven, op eenvoudige en kinderlijke wijze, zonder iets van onze noden te verbergen. Ik heb onze leerstellige verschillen vermeld, maar ook ons oprechte verlangen om de katholieke Kerk onvermoeibaar te dienen, want wij zijn dienaren van de Kerk ondanks onze niet-erkende canonieke status.

Op deze tweede brief hebben wij enkele dagen geleden een antwoord uit Rome ontvangen, van kardinaal Fernández. Helaas houdt dit antwoord op geen enkele wijze rekening met het voorstel dat wij hebben gedaan, en biedt het niets aan dat aan onze verzoeken tegemoetkomt.

Dit voorstel bestaat, rekening houdend met de geheel bijzondere omstandigheden waarin de Priesterbroederschap zich bevindt, er concreet in dat wij de Heilige Stoel vragen ons toe te staan tijdelijk in onze uitzonderlijke situatie te blijven, ten bate van de zielen die zich tot ons wenden. Wij hebben de Paus beloofd al onze energie te wijden aan de bescherming van de Traditie en onze gelovigen tot ware zonen van de Kerk te vormen. Het lijkt mij dat een dergelijk voorstel zowel realistisch als redelijk is, en dat het op zichzelf de instemming van de Heilige Vader zou kunnen verkrijgen.

  1. Maar als u deze instemming nog niet hebt ontvangen, waarom meent u dan toch te moeten overgaan tot bisschopswijdingen?

Het gaat hier om een uiterste middel, evenredig aan een werkelijke en eveneens uiterste noodzaak. Uiteraard betekent het loutere bestaan van een noodzaak voor het goed van de zielen niet dat om daaraan te beantwoorden elke willekeurige maatregel bij voorbaat gerechtvaardigd is. Maar in ons geval lijkt het ons, na een lange periode van wachten, waarnemen en gebed, mogelijk vandaag te zeggen dat de objectieve toestand van ernstige nood waarin de zielen, de Priesterbroederschap en de Kerk zich bevinden, een dergelijke beslissing vereist.

Met de erfenis die paus Franciscus heeft nagelaten, blijven de fundamentele redenen die reeds de wijdingen van 1988 rechtvaardigden, volledig van kracht en vertonen zij in vele opzichten zelfs een hernieuwde scherpte. Het Tweede Vaticaans Concilie blijft meer dan ooit het kompas dat de kerkelijke leiders richting geeft, en het is weinig waarschijnlijk dat zij in de nabije toekomst een andere koers zullen inslaan. De grote lijnen die zich reeds aftekenen voor het nieuwe pontificaat, met name via het recente consistorie, bevestigen dit alleen maar: men ziet er een uitdrukkelijke vastberadenheid in om de lijn van Franciscus te behouden als een onomkeerbare weg voor de gehele Kerk.

“Wij hebben de Paus beloofd al onze energie te wijden aan de bescherming van de Traditie en onze gelovigen tot ware zonen van de Kerk te vormen.”

Het is triest om vast te stellen, maar het is een feit: in een gewone parochie vinden de gelovigen niet langer de middelen die nodig zijn om hun eeuwig heil veilig te stellen. Dit betreft in het bijzonder de volledige verkondiging van de katholieke waarheid en moraal, evenals de bediening van de sacramenten zoals de Kerk die altijd heeft verricht. Dat is wat de toestand van nood samenvat. In deze kritieke context worden onze bisschoppen ouder en zijn zij, gezien de voortdurende groei van het apostolaat, niet langer in staat om wereldwijd aan de noden van de gelovigen te beantwoorden.

  1. Op welke wijze bevestigt volgens u het consistorie van vorige maand de richting die paus Franciscus heeft ingeslagen?

Kardinaal Fernández heeft, in naam van paus Leo, de Kerk uitgenodigd terug te keren naar de fundamentele intuïtie van Franciscus, zoals verwoord in Evangelii gaudium, zijn sleutelencycliek: vereenvoudigd gezegd gaat het erom de verkondiging van het Evangelie te herleiden tot haar oorspronkelijke, wezenlijke uitdrukking, in zeer beknopte en krachtige formules, het “kerygma”, met het oog op een “ervaring”, een onmiddellijke ontmoeting met Christus, waarbij al het overige terzijde wordt gelaten, hoe waardevol ook; concreet: het geheel van de elementen van de Traditie wordt beschouwd als bijkomstig en secundair. Dit is precies de methode van de nieuwe evangelisatie die de doctrinale leegte heeft voortgebracht die kenmerkend is voor het pontificaat van Franciscus, en die door een aanzienlijk deel van de Kerk scherp is gevoeld.

Uiteraard moet men in deze benadering steeds bekommerd zijn om het geven van nieuwe en passende antwoorden op de vragen die opkomen; maar deze taak dient te worden verwezenlijkt via de synodale hervorming, en niet door het herontdekken van de klassieke en altijd geldige antwoorden die door de Traditie van de Kerk worden aangereikt. Op deze wijze, in de vermeende “adem van de Geest” van deze synodale hervorming, is Franciscus erin geslaagd aan de gehele Kerk rampzalige beslissingen op te leggen, zoals die welke de communie voor hertrouwd gescheidenen toestaat, of de zegening van paren van hetzelfde geslacht.

Samenvattend: door het “kerygma” wordt de verkondiging van het Evangelie losgekoppeld van het hele corpus van de traditionele leer en moraal; en door de synodaliteit worden de traditionele antwoorden vervangen door willekeurige beslissingen, die gemakkelijk absurd en doctrinair niet te rechtvaardigen zijn. Kardinaal Zen zelf acht deze methode manipulatief en beschouwt het toeschrijven ervan aan de Heilige Geest als godslasterlijk. Ik vrees helaas dat hij gelijk heeft.

  1. U spreekt over dienst aan de Kerk, maar in de praktijk kan de Priesterbroederschap de indruk wekken de Kerk uit te dagen, vooral als men bisschopswijdingen overweegt. Hoe legt u dit aan de Paus uit?

Wij dienen de Kerk allereerst door de zielen te dienen. Dat is een objectief feit, los van elke andere overweging. De Kerk bestaat in wezen voor de zielen: zij heeft tot doel hun heiliging en hun heil. Alle mooie toespraken, de uiteenlopende debatten en de grote thema’s waarover men discussieert of zou kunnen discussiëren, hebben geen zin als zij niet het heil van de zielen beogen. Het is belangrijk dit te herinneren, omdat er vandaag een gevaar bestaat dat de Kerk zich met alles en met niets bezighoudt. Ecologische bekommernissen bijvoorbeeld, of de zorg voor de rechten van minderheden, vrouwen of migranten, dreigen de essentiële zending van de Kerk uit het oog te doen verliezen. Als de Priesterbroederschap Sint-Pius X strijdt om de Traditie te bewaren, met alles wat dit inhoudt, dan uitsluitend omdat deze schatten absoluut noodzakelijk zijn voor het heil van de zielen, en omdat zij niets anders beoogt dan dit: het welzijn van de zielen, en dat van het priesterschap dat op hun heiliging is gericht.

“In een gewone parochie vinden de gelovigen niet langer de middelen die nodig zijn om hun eeuwig heil veilig te stellen. Dat is wat de toestand van nood samenvat.”

Door zo te handelen, stellen wij ten dienste van de Kerk zelf wat wij bewaren. Wij bieden de Kerk niet een museum van oude en stoffige dingen aan, maar de Traditie in haar volheid en vruchtbaarheid: de Traditie die de zielen heiligt, die hen verandert, die roepingen en authentiek katholieke gezinnen doet ontstaan. Met andere woorden: wij bewaren deze schat voor de Paus zelf, als zodanig, tot de dag waarop men haar waarde opnieuw zal begrijpen en waarop een Paus haar zal willen gebruiken ten bate van de hele Kerk. Want de Traditie behoort aan de Kerk.

  1. U spreekt over het welzijn van de zielen, maar de Priesterbroederschap heeft geen zending over de zielen. Integendeel, zij is al meer dan vijftig jaar geleden canoniek opgeheven. Op welke titel kan men een missie van de Priesterbroederschap ten aanzien van de zielen rechtvaardigen?

Het is eenvoudigweg een kwestie van naastenliefde. Wij willen ons geen zending toekennen die wij niet hebben. Maar tegelijk kunnen wij niet weigeren te antwoorden op de geestelijke nood van zielen die steeds vaker perplex, gedesoriënteerd en verloren zijn. Zij roepen om hulp. En na lang gezocht te hebben, vinden zij heel natuurlijk in de rijkdommen van de Traditie van de Kerk, integraal geleefd, met zeer diepe vreugde licht en troost. Tegenover deze zielen dragen wij een werkelijke verantwoordelijkheid, ook al hebben wij geen officiële zending: als iemand op straat een persoon in gevaar ziet, is hij verplicht die persoon naar vermogen te helpen, ook al is hij geen brandweerman en geen politieagent.

Het aantal zielen dat zich op die manier tot ons heeft gewend, is in de loop der jaren voortdurend gegroeid en is in het laatste decennium zelfs aanzienlijk toegenomen. Hun noden negeren en hen in de steek laten zou betekenen hen te verraden, en daarmee ook de Kerk zelf te verraden, want nogmaals: de Kerk bestaat voor de zielen en niet om ijdele en futiele betogen te voeden.

Deze naastenliefde is een plicht die alle andere plichten beheerst. Het recht van de Kerk zelf voorziet daarin. In de geest van het kerkelijk recht, de juridische uitdrukking van deze naastenliefde, gaat het welzijn van de zielen boven alles. Het is werkelijk de wet der wetten, waaraan alle andere ondergeschikt zijn en waartegen geen enkele kerkelijke wet prevaleert. Het axioma “suprema lex, salus animarum – de hoogste wet is het heil van de zielen is een klassieke stelregel van de canonieke traditie, die overigens expliciet is opgenomen in de slotcanon van het Wetboek van 1983; in de huidige toestand van nood hangt uiteindelijk van dit hogere beginsel de gehele legitimiteit af van ons apostolaat en van onze zending ten aanzien van de zielen die zich tot ons wenden. Voor ons gaat het om een plaatsvervangende rol, in naam van diezelfde naastenliefde.

  1. Bent u zich ervan bewust dat het vooruitzicht van bisschopswijdingen de gelovigen die een beroep doen op de Priesterbroederschap voor een dilemma kan plaatsen: ofwel de keuze voor de integrale Traditie met alles wat dat inhoudt, ofwel de “volledige” communio met de hiërarchie van de Kerk?

Dit dilemma is in werkelijkheid slechts schijnbaar. Het is evident dat een katholiek zowel de integrale Traditie als de communio met de hiërarchie moet bewaren. Hij kan niet kiezen tussen deze goederen, die beide noodzakelijk zijn.

Men vergeet echter al te vaak dat de communio wezenlijk gegrond is op het katholieke geloof, met alles wat dat impliceert: te beginnen met een waarachtig sacramenteel leven en met de uitoefening van een bestuur dat ditzelfde geloof verkondigt en in praktijk brengt, en dat zijn gezag niet willekeurig aanwendt, maar werkelijk met het oog op het geestelijk welzijn van de aan zijn zorg toevertrouwde zielen.

Juist om deze fundamenten, deze noodzakelijke voorwaarden voor het bestaan zelf van de communio in de Kerk te waarborgen, kan de Priesterbroederschap niet aanvaarden wat zich tegen deze communio verzet en haar vervormt, zelfs wanneer dit paradoxaal genoeg afkomstig is van hen die in de Kerk het gezag uitoefenen.

  1. Kunt u een concreet voorbeeld geven van wat de Priesterbroederschap niet kan aanvaarden?

Het eerste voorbeeld dat mij te binnen schiet, gaat terug tot het jaar 2019, toen paus Franciscus bij gelegenheid van zijn bezoek aan het Arabisch schiereiland samen met een imam de beroemde verklaring van Abu Dhabi ondertekende. Daarin verklaarde hij samen met de islamitische leider dat de veelheid van religies als zodanig door de goddelijke Wijsheid gewild zou zijn.

Het is duidelijk dat een communio die zou berusten op de aanvaarding van een dergelijke bewering, of die haar zou insluiten, eenvoudigweg niet katholiek zou zijn, aangezien zij een zonde tegen het eerste gebod en een ontkenning van het eerste artikel van het Credo zou omvatten. Ik meen dat een dergelijke bewering meer is dan een eenvoudige dwaling. Zij is eenvoudigweg ondenkbaar. Zij kan niet het fundament vormen van een katholieke communio, maar veeleer de oorzaak van haar ontbinding. Ik denk dat een katholiek eerder het martelaarschap zou moeten verkiezen dan een dergelijke bewering te aanvaarden.

  1. Wereldwijd groeit het bewustzijn van de fouten die door de Priesterbroederschap al lange tijd worden aangeklaagd, met name op het internet. Zou men dit proces niet beter laten groeien in vertrouwen op de Voorzienigheid, in plaats van tussenbeide te komen met een krachtig publiek gebaar zoals bisschopswijdingen?

Deze beweging is zeker positief en men kan zich daar alleen maar over verheugen. Zij illustreert ongetwijfeld de gegrondheid van wat de Priesterbroederschap verdedigt, en het is gepast deze verspreiding van de waarheid met alle beschikbare middelen aan te moedigen. Niettemin is het een beweging die haar grenzen heeft. De strijd voor het geloof kan zich niet beperken tot, noch uitgeput raken in discussies en standpunten die zich afspelen op het toneel van het web of van de sociale netwerken. 

De heiliging van een ziel hangt uiteraard af van een authentieke geloofsbelijdenis, maar deze moet uitmonden in een waar christelijk leven. Op zondag hebben de zielen er geen behoefte aan een internetplatform te raadplegen. Zij hebben een priester nodig die hen biecht hoort en hen onderricht, die voor hen de heilige Mis opdraagt, die hen werkelijk heiligt en tot God leidt. De zielen hebben priesters nodig. En om priesters te hebben, zijn bisschoppen nodig. Geen “influencers”. Met andere woorden: men moet terugkeren naar de werkelijkheid, dat wil zeggen naar de werkelijkheid van de zielen en van hun concrete, objectieve noden. De bisschopswijdingen hebben geen andere finaliteit dan deze: voor de gelovigen die aan de Traditie gehecht zijn, de bediening van het sacrament van het vormsel en van de wijding te waarborgen, en alles wat daaruit voortvloeit.

  1. Denkt u niet dat de Priesterbroederschap, ondanks haar goede bedoelingen, uiteindelijk het risico loopt zichzelf als de Kerk te beschouwen of zich een onvervangbare rol toe te kennen?

Op geen enkele wijze pretendeert de Priesterbroederschap zich in de plaats van de Kerk te stellen of haar zending over te nemen; integendeel, zij bewaart een diep besef dat zij uitsluitend bestaat om haar te dienen, uitsluitend gesteund op wat de Kerk zelf altijd en overal heeft verkondigd, geloofd en verricht.

De Priesterbroederschap is zich er bovendien diep van bewust dat zij niet degene is die de Kerk redt, want alleen Onze Heer bewaart en redt Zijn Bruid, Hij die haar nooit ophoudt te behoeden.

De Priesterbroederschap is eenvoudigweg, in omstandigheden die zij niet heeft gekozen, een bevoorrecht middel om trouw te blijven aan de Kerk. Aandachtig voor de zending van haar Moeder, die gedurende twintig eeuwen haar kinderen heeft gevoed met de leer en de sacramenten, wijdt de Priesterbroederschap zich op kinderlijke wijze aan het bewaren en verdedigen van de integrale Traditie, door gebruik te maken van middelen van een uitzonderlijke vrijheid om aan dit erfgoed trouw te blijven. Volgens de uitdrukking van aartsbisschop Lefebvre is de Priesterbroederschap slechts een werk “van de katholieke Kerk, die de leer blijft doorgeven”; haar rol is die van een “bode die een brief bezorgt”. En zij verlangt niets meer dan alle katholieke herders verenigd te zien in de vervulling van deze plicht.

  1. Laten we terugkomen op de Paus. Acht u het realistisch te denken dat de Heilige Vader zou kunnen aanvaarden, of ten minste dulden, dat de Priesterbroederschap bisschoppen wijdt zonder pauselijk mandaat?

Een paus is vóór alles een vader. Als zodanig is hij in staat een rechte intentie te onderscheiden, een oprechte wil om de Kerk te dienen en vooral een werkelijk gewetensconflict in een uitzonderlijke situatie. Dit zijn objectieve elementen, die allen die de Priesterbroederschap kennen kunnen erkennen, ook al delen zij haar standpunten niet noodzakelijk.

  1. Dat is begrijpelijk in theorie. Maar denkt u dat Rome in de praktijk een dergelijke beslissing van de Priesterbroederschap zou kunnen dulden?

De toekomst ligt in de handen van de Heilige Vader en uiteraard van de Voorzienigheid. Niettemin moet worden erkend dat de Heilige Stoel soms in staat is een zeker pragmatisme te tonen, zelfs een verrassende soepelheid, wanneer ze ervan overtuigd is te handelen voor het welzijn van de zielen.

Men denke aan het zeer actuele geval van de betrekkingen met de Chinese regering. Ondanks een daadwerkelijke schisma van de patriottische Kerk; ondanks een ononderbroken vervolging van de zwijgende Kerk, trouw aan Rome; ondanks akkoorden die regelmatig worden vernieuwd en vervolgens door de Chinese overheid geschonden: in 2023 heeft paus Franciscus a posteriori de benoeming van de bisschop van Shanghai door de Chinese autoriteiten goedgekeurd. Meer recent heeft paus Leo XIV zelf a posteriori de benoeming aanvaard van de bisschop van Xinxiang, op dezelfde wijze aangewezen tijdens de vacantie van de Apostolische Stoel, terwijl de aan Rome trouwe bisschop, die meermaals gevangen was gezet, nog in functie was. In beide gevallen gaat het uiteraard om regeringsgezinde prelaten, eenzijdig opgelegd door Peking met het doel de katholieke Kerk in China te controleren. Men moet goed opmerken dat het hier niet gaat om twee hulpbisschoppen, maar om residentiële bisschoppen, dat wil zeggen gewone herders van hun respectieve bisdommen of prefecturen, met jurisdictie over priesters en gelovigen. In Rome weet men zeer goed met welk doel deze herders zijn gekozen en opgelegd.

“De Priesterbroederschap Sint-Pius X beoogt niets anders dan dit: het welzijn van de zielen, en dat van het priesterschap dat op hun heiliging is gericht.”

Het geval van de Priesterbroederschap is geheel anders. Het gaat voor ons uiteraard niet om het begunstigen van een communistische of antichristelijke macht, maar uitsluitend om het veiligstellen van de rechten van Christus-Koning en van de Traditie van de Kerk, in een tijd van algemene crisis en verwarring waarin deze ernstig worden aangetast. De intenties en doelstellingen zijn dus duidelijk niet dezelfde. De Paus weet dit. Bovendien weet de Heilige Vader zeer goed dat de Priesterbroederschap geenszins de bedoeling heeft haar bisschoppen enige jurisdictie toe te kennen, wat zou neerkomen op het scheppen van een parallelle Kerk.

Eerlijk gezegd zie ik niet in hoe de Paus een groter gevaar voor de zielen zou kunnen vrezen van de kant van de Priesterbroederschap dan van de kant van de regering in Peking.

  1. Denkt u dat, wat de traditionele Mis betreft, de nood van de zielen even ernstig is als in 1988? Na de bekende wisselvalligheden betreffende de ritus van de H. Pius V, zijn vrijgave door Benedictus XVI in 2007 en de beperkingen opgelegd door Franciscus in 2021… welke richting gaat men uit met de nieuwe Paus?

Voor zover ik weet, heeft paus Leo XIV zich tot dusver met een zekere terughoudendheid over dit onderwerp uitgelaten, dat in de conservatieve wereld grote verwachtingen wekt. Zeer recent werd echter een tekst van kardinaal Roche over de liturgie openbaar gemaakt, die oorspronkelijk bestemd was voor de kardinalen die deelnamen aan het consistorie van vorige maand. Er is geen reden om eraan te twijfelen dat deze tekst in grote lijnen overeenstemt met de door de Paus gewenste oriëntatie. Het is een zeer duidelijke tekst, en vooral logisch en coherent. Helaas berust hij op een verkeerde premisse.

Concreet veroordeelt deze tekst, in volmaakte continuïteit met Traditionis custodes, het liturgische project van paus Benedictus XVI. Volgens deze laatste zouden de oude ritus en de nieuwe ritus twee min of meer gelijkwaardige vormen zijn, die in elk geval hetzelfde geloof en dezelfde ecclesiologie tot uitdrukking brengen en zich bijgevolg wederzijds zouden kunnen verrijken. Bezorgd om de eenheid van de Kerk, lag het Benedictus XVI dan ook na aan het hart het naast elkaar bestaan van beide riten te bevorderen, en publiceerde hij in 2007 Summorum Pontificum. Voor velen betekende dit, op voorzienige wijze, een herontdekking van de Mis van alle tijden, maar op langere termijn gaf het ook aanleiding tot een beweging die de nieuwe ritus in vraag stelde; een beweging die problematisch werd geacht en die Traditionis custodes in 2021 trachtte in te dammen.

Trouw aan Franciscus bevordert kardinaal Roche op zijn beurt de eenheid van de Kerk, maar volgens een idee en met middelen die diametraal tegengesteld zijn aan die van Benedictus XVI. Terwijl hij de bewering van een continuïteit van de ene ritus naar de andere doorheen de hervorming blijft handhaven, verzet hij zich resoluut tegen hun co-existentie. Hij ziet daarin een bron van verdeeldheid, een bedreiging voor de eenheid, die overwonnen moet worden door terug te keren naar een authentieke liturgische communio: “Het primaire goed van de eenheid van de Kerk wordt niet bereikt door de verdeeldheid te bevriezen, maar door ons allen terug te vinden in het delen van wat noodzakelijkerwijs gedeeld moet worden.” In de Kerk, zo voegt hij eraan toe, “zou er slechts één ritus moeten zijn”, in volle harmonie met de ware betekenis van de Traditie.

Dit is een juist en coherent principe, want aangezien de Kerk één geloof en één ecclesiologie heeft, kan zij slechts één liturgie hebben die deze op passende wijze tot uitdrukking brengt. Maar het is een verkeerd toegepast principe. In overeenstemming met de nieuwe postconciliaire ecclesiologie beschouwt kardinaal Roche de Traditie immers als iets evolutiefs en de nieuwe ritus als haar enige levende uitdrukking voor onze tijd. De waarde van de tridentijnse ritus kan daarom slechts als verouderd worden beschouwd, en haar gebruik hoogstens als een “concessie”, “in geen geval een bevoordeling”.

Dat er dus vandaag sprake is van “verdeeldheid” en van een actuele onverenigbaarheid tussen de twee riten, wordt steeds duidelijker. Men vergisse zich echter niet: de enige liturgie die op adequate wijze, op onveranderlijke en niet-evolutieve wijze, de traditionele opvatting van de Kerk, van het christelijk leven en van het katholieke priesterschap tot uitdrukking brengt, is die van altijd. Op dit punt lijkt de oppositie van de Heilige Stoel meer dan ooit onherroepelijk.

  1. Kardinaal Roche erkent toch eerlijk dat er nog bepaalde problemen bestaan bij de uitvoering van de liturgische hervorming. Denkt u dat dit kan leiden tot een bewustwording van de grenzen van deze hervorming?

Het is opmerkelijk vast te stellen dat men na zestig jaar nog steeds een reële moeilijkheid erkent in de toepassing van de liturgische hervorming, waarvan men de rijkdom zou moeten ontdekken. Dit is een refrein dat men al sinds jaar en dag hoort telkens wanneer dit onderwerp ter sprake komt, en dat kardinaal Roche in zijn tekst niet uit de weg gaat. Maar in plaats van zich oprecht af te vragen naar de intrinsieke tekortkomingen van de nieuwe Mis en dus naar het algemene falen van deze hervorming, in plaats van de evidente feiten onder ogen te zien dat de kerken leeglopen en de roepingen afnemen, in plaats van zich af te vragen waarom de tridentijnse ritus zoveel zielen blijft aantrekken, ziet kardinaal Roche slechts één oplossing: een dringende vormingsbehoefte van de gelovigen en van de seminaristen.

Zonder het te beseffen belandt hij hier in een vicieuze cirkel. Het is immers de liturgie zelf die geacht wordt de zielen te vormen. Gedurende bijna tweeduizend jaar zijn zielen, vaak analfabeet, door de liturgie zelf opgebouwd en geheiligd, zonder enige voorafgaande vorming. Het niet erkennen van de intrinsieke onbekwaamheid van de Novus Ordo om de zielen te vormen, door steeds opnieuw een betere vorming te eisen, lijkt mij het teken van een onherstelbare verblinding. Men komt aldus tot schokkende paradoxen: de hervorming werd gewild om de deelname van de gelovigen te bevorderen; maar deze hebben de Kerk massaal verlaten, omdat deze fletse liturgie hen niet heeft kunnen voeden; en dit zou niets te maken hebben met de hervorming zelf!

  1. In vele landen genieten tegenwoordig groepen die buiten de Priesterbroederschap staan nog steeds van het gebruik van het missaal van 1962. Dergelijke mogelijkheden bestonden in 1988 vrijwel niet. Zou dit voorlopig geen voldoende alternatief zijn, waardoor nieuwe bisschopswijdingen voorbarig zouden zijn?

De vraag die wij ons moeten stellen is de volgende: beantwoorden deze mogelijkheden aan wat de Kerk en de zielen nodig hebben? Beantwoorden zij op voldoende wijze aan de nood van de zielen?

Het valt niet te ontkennen dat overal waar de traditionele Mis wordt opgedragen, de ware ritus van de Kerk straalt, met dat diepe gevoel voor het heilige dat men in de nieuwe ritus niet aantreft. Maar men kan geen abstractie maken van het kader waarin deze vieringen plaatsvinden. Onafhankelijk van de goede wil van de ene of de andere lijkt het kader duidelijk, vooral sinds Traditionis custodes, bevestigd door kardinaal Roche: dat van een Kerk waarin de enige officiële en “normale” ritus die van Paulus VI is. De viering van de ritus van altijd gebeurt bijgevolg onder een uitzonderingsregime: zij die aan deze ritus gehecht zijn, ontvangen uit welwillendheid dispensaties die hun toelaten haar te vieren, maar deze passen in een logica van de nieuwe ecclesiologie en veronderstellen dus dat de nieuwe liturgie de maatstaf blijft van de vroomheid van de gelovigen en de authentieke uitdrukking van het kerkelijk leven.

  1. Waarom zegt u dat men geen abstractie kan maken van dit uitzonderingskader? Wordt er niettemin geen goed gedaan? Welke concrete gevolgen zijn te betreuren?

Uit deze situatie vloeien minstens drie nefaste gevolgen voort. Het meest onmiddellijke is dat van een diepe structurele kwetsbaarheid. De priesters en gelovigen die genieten van bepaalde privileges die hun het gebruik van de tridentijnse liturgie toestaan, leven in de angst voor de dag van morgen: een privilege is geen recht. Zolang het gezag hen tolereert, kunnen zij hun religieuze praktijk zonder problemen voortzetten. Maar zodra het gezag bepaalde eisen stelt, voorwaarden oplegt of plots, om welke reden ook, de verleende toestemmingen intrekt, bevinden priesters en gelovigen zich in een conflictsituatie zonder enig middel om zich te verdedigen en op doeltreffende wijze de traditionele hulp te waarborgen waarop de zielen recht hebben. Hoe kan men duurzaam dergelijke gewetensconflicten vermijden wanneer, tussen twee onverenigbare opvattingen van het kerkelijk leven die in twee onverenigbare liturgieën belichaamd zijn, de ene volledig erkend is terwijl de andere slechts wordt geduld?

Vervolgens, en dit is wellicht ernstiger, wordt de reden van de gehechtheid van deze groepen aan de tridentijnse liturgie niet meer begrepen, wat de openbare rechten van de Traditie van de Kerk ernstig in het gedrang brengt en daardoor het welzijn van de zielen schaadt. Inderdaad, als de Mis van altijd kan aanvaarden dat de moderne Mis overal in de Kerk wordt gevierd, en als zij voor zichzelf slechts een bijzonder privilege opeist, dat verbonden is met een voorkeur of een eigen charisma, hoe kan men dan begrijpen dat deze Mis van altijd zich onherroepelijk verzet tegen de nieuwe Mis, de enige ware liturgie van de gehele Kerk blijft, en dat niemand kan worden verhinderd haar te vieren? Hoe kan men weten dat de Mis van Paulus VI niet kan worden erkend omdat zij een aanzienlijke verwijdering vormt van de katholieke theologie van de heilige Mis en dat niemand kan worden verplicht haar te vieren? En hoe worden de zielen doeltreffend weggehouden van deze vergiftigde liturgie om zich te laven aan de zuivere bronnen van de katholieke liturgie?

“De Broederschap is eenvoudigweg, in omstandigheden die zij niet heeft gekozen, een bevoorrecht middel om trouw te blijven aan de Kerk.”

Ten slotte, als verder gevolg dat uit de vorige twee voortvloeit, leidt de noodzaak om door een storend gedrag geen broze stabiliteit in gevaar te brengen ertoe dat talrijke herders tot een gedwongen stilzwijgen worden gebracht wanneer zij zich zouden moeten verheffen tegen dit of dat schandelijke onderricht dat het geloof of de moraal aantast. De noodzakelijke aanklacht van de dwalingen die de Kerk ondermijnen, geëist door het welzijn van de zielen die door deze vergiftigde voeding worden bedreigd, raakt daardoor verlamd. Men verlicht hier en daar iemand in het verborgene, wanneer men de schadelijkheid van een bepaalde dwaling nog weet te onderscheiden, maar het blijft een timide gefluister waarin de waarheid zich nog nauwelijks met de vereiste vrijheid kan uitdrukken, vooral wanneer het gaat om het bestrijden van stilzwijgend aanvaarde beginselen. Ook hier zijn het de zielen die men niet langer verlicht en die men het brood van de leer onthoudt waarnaar zij nochtans hongeren. Op termijn verandert dit geleidelijk de mentaliteiten en leidt het tot een algemene en onbewuste aanvaarding van de verschillende hervormingen die het leven van de Kerk raken. Ook tegenover deze zielen voelt de Priesterbroederschap zich verantwoordelijk hen te verlichten en niet in de steek te laten.

Het gaat er niet om verwijten te maken of wie dan ook te oordelen, maar om de ogen te openen en de feiten vast te stellen. Wij moeten erkennen dat, voor zover het gebruik van de traditionele liturgie afhankelijk blijft van een ten minste impliciete aanvaarding van de conciliaire hervormingen, de groepen die daarvan genieten geen afdoende antwoord kunnen vormen op de diepe noden die de Kerk en de zielen kennen. Omgekeerd moet men, om een eerder geformuleerd idee te herhalen, de katholieken van vandaag een waarheid zonder toegevingen kunnen aanbieden, zonder voorwaarden, met de middelen om er volledig naar te leven, voor het heil van de zielen en ten dienste van de gehele Kerk.

  1. Denkt u dat Rome zich in de toekomst niet royaler zou kunnen opstellen ten aanzien van de traditionele Mis?

Het is niet onmogelijk dat Rome in de toekomst een meer open houding zou aannemen, zoals reeds in 1988 is gebeurd in vergelijkbare omstandigheden, toen het oude missaal aan bepaalde groepen werd toegestaan om de gelovigen van de Priesterbroederschap weg te houden. Mocht dit opnieuw gebeuren, dan zou dat zeer politiek en weinig doctrinair zijn: het tridentijnse missaal is uitsluitend bestemd om de goddelijke majesteit te aanbidden en het geloof te voeden; het mag niet worden geïnstrumentaliseerd als een pastorale bijsturing of als een variabele tot kalmering.

Dit gezegd zijnde, zou een grotere of kleinere welwillendheid niets veranderen aan de schadelijkheid van het hierboven beschreven kader en derhalve de situatie niet wezenlijk wijzigen.

Bovendien is het scenario in werkelijkheid complexer. In Rome hebben paus Franciscus en kardinaal Roche duidelijk vastgesteld dat het verruimen van het gebruik van het missaal van de H. Pius V onvermijdelijk leidt tot een hernieuwde bevraging van de liturgische hervorming en van het Concilie, in hinderlijke en vooral oncontroleerbare proporties. Het is dus moeilijk te voorspellen wat er zal gebeuren, maar het gevaar van een opsluiting in logica’s die meer politiek dan doctrinair zijn, is reëel.

  1. Wat zou u in het bijzonder willen zeggen tot de gelovigen en de leden van de Priesterbroederschap?

Ik zou hun willen zeggen dat de huidige tijd in de eerste plaats een tijd is van gebed, van voorbereiding van de harten, van de zielen en ook van de geesten, om ons beschikbaar te stellen voor de genade die deze wijdingen voor de gehele Kerk betekenen. Dit alles in ingetogenheid, in vrede en in vertrouwen op de Voorzienigheid, die de Priesterbroederschap nooit heeft verlaten en haar ook nu niet zal verlaten.

  1. Hoopt u nog steeds de Paus te kunnen ontmoeten?

Ja, zeker. Het lijkt mij uiterst belangrijk met de Heilige Vader te kunnen spreken en er zijn vele zaken die ik graag met hem zou willen delen en die ik hem niet heb kunnen schrijven. Helaas voorziet het antwoord dat wij van kardinaal Fernández hebben ontvangen niet in een audiëntie bij de Paus. Het verwijst daarentegen wel naar de dreiging van nieuwe sancties.

  1. Wat zal de Priesterbroederschap doen indien de Heilige Stoel besluit haar te veroordelen?

Allereerst zij eraan herinnerd dat eventuele canonieke straffen in dergelijke omstandigheden geen reëel effect zouden hebben.

Mocht men ze toch uitspreken, dan staat vast dat de Priesterbroederschap deze nieuwe beproeving zonder bitterheid zou aanvaarden, zoals zij de beproevingen uit het verleden heeft aanvaard, en haar oprecht zou opdragen voor het welzijn van de Kerk zelf. Het is voor de Kerk dat de Priesterbroederschap werkt. En zij twijfelt er niet aan dat, indien een dergelijke situatie zich zou voordoen, zij slechts tijdelijk zou kunnen zijn, want de Kerk is goddelijk en Onze Heer verlaat haar niet.

De Priesterbroederschap zal dus voortgaan zo goed mogelijk te werken in trouw aan de katholieke Traditie en de Kerk nederig te dienen door te beantwoorden aan de noden van de zielen. En zij zal blijven bidden, met kinderlijke trouw, voor de Paus, zoals zij altijd heeft gedaan, in afwachting dat zij op een dag bevrijd zal worden van deze eventuele onrechtvaardige sancties, zoals dat in 2009 het geval was. Wij zijn ervan overtuigd dat de Romeinse autoriteiten op een dag met dankbaarheid zullen erkennen dat deze bisschopswijdingen op voorzienige wijze hebben bijgedragen tot het behoud van het geloof, tot meerdere eer van God en tot heil van de zielen.

Interview gegeven te Flavigny-sur-Ozerain op 2 februari 2026
op het feest van de Zuivering van de Allerheiligste Maagd Maria