Mgr. Schneider: De FSSPX bewijst de Kerk een historische dienst

Bron: District België - Nederland

Voor het eerst sinds de bisschopswijdingen van 1 juli in Écône neemt bisschop Athanasius Schneider publiekelijk stelling in een door hemzelf geschreven tekst, die op 17 augustus 2026 is gepubliceerd op de website van journaliste Diane Montagna. De tekst wordt hier met zijn toestemming integraal weergegeven.

Het dilemma tussen het behoud van de ondubbelzinnige integriteit van het katholieke geloof  en de canonieke erkenning door de paus

Door Mgr. Athanasius Schneider

Het is nuttig om terug te blikken op een historische gebeurtenis waarbij een grote heilige met het volgende dilemma werd geconfronteerd: kiezen tussen het behoud van de ondubbelzinnige integriteit van het katholieke geloof en het verkrijgen van de canonieke erkenning door de paus. Deze heilige was een kerkvader uit de vierde eeuw: de heilige Athanasius van Alexandrië. In 357 gaf Paus Liberius, nadat hij een dubbelzinnige geloofsbelijdenis had ondertekend (waarin de cruciale leerstellige term „consubstantieel” was weggelaten), de heilige Athanasius de opdracht om in gemeenschap te treden met ariaanse en semi-ariaanse bisschoppen — bisschoppen met wie de paus zelf, onder druk van de keizer, helaas ook in gemeenschap was getreden. De heilige Athanasius weigerde de paus te gehoorzamen; naar aanleiding daarvan heeft de paus hem, volgens de getuigenis van de heilige Hilarius van Poitiers en andere historische bronnen, geëxcommuniceerd, waarbij hij hem beschuldigde van het verstoren van de vrede binnen de Kerk. Hoewel hij door de paus was geëxcommuniceerd, bleef de heilige Athanasius zijn bisdom Alexandrië besturen en toonde hij zelfs begrip voor het betreurenswaardige optreden van Paus Liberius. Paus Damasius, de opvolger van Liberius, bedankte de heilige Athanasius echter en raadpleegde hem over de aangelegenheden van de bisschoppen in het Oosten. Paus Liberius was de eerste paus die niet heilig werd verklaard, terwijl Athanasius niet alleen heilig werd verklaard, maar ook tot Kerkleraar werd uitgeroepen.

Tegenwoordig zou de heilige Athanasius worden beschouwd als een schismatiek volgens de definitie van “schisma” zoals die is opgenomen in het huidige Wetboek van Canoniek Recht, aangezien hij weigerde in gemeenschap te zijn met leden van de Kerk (ketterse en semi-ketterse bisschoppen) die canoniek erkend waren en derhalve onderworpen waren aan de paus.

Ook de bisschopswijdingen die op 1 juli 2026 in Écône door de Priesterbroederschap Sint-Pius X (FSSPX) werden verricht, illustreren dit zeldzame dilemma: de keuze moeten maken tussen het behoud van de integriteit van het katholieke geloof, zoals dat door het leergezag door de eeuwen heen is onderwezen, en het verkrijgen van canonieke erkenning door de paus. Dit dilemma komt tot uiting in de voorwaarden die verbonden zijn aan de canonieke erkenning van de FSSPX door de paus: de FSSPX moet bepaalde recentelijk geïntroduceerde leerstellige onduidelijkheden aanvaarden (zoals deze tot uiting komen in bepaalde niet-definitieve leerstellingen van het Tweede Vaticaans Pastoraal Concilie, alsook in bepaalde uitspraken en handelingen van het postconciliaire leergezag), en bovendien niet alleen de geldigheid, maar ook de juistheid (de legitimiteit) van de ritus van de Nieuwe Mis erkennen — ondanks de leerstellige en rituele onduidelijkheid ervan, die een duidelijke breuk met de traditionele Romeinse ritus inhoudt.

Bij het behandelen van deze complexe kwestie is het van essentieel belang een evenwichtig perspectief te behouden, de terminologie te verduidelijken en nooit het ware en uiteindelijke doel van de Kerk, evenals haar grote Traditie, uit het oog te verliezen; want deze Traditie reikt ver terug, ver voorbij de meest recente eeuwen of decennia. Daarbij dient men ook rekening te houden met vergelijkbare situaties die zich tijdens de grote crises in de geschiedenis van de Kerk hebben voorgedaan.

In de afgelopen eeuwen zijn er binnen de Kerk twee ongezonde ontwikkelingen ontstaan die hebben geleid tot een beperkte visie op de werkelijkheid: de neiging om het juridische aspect een quasi-absoluut karakter te verlenen – het legalisme – en de neiging om de persoon van de paus en de hem verschuldigde gehoorzaamheid te absolutiseren – het papalisme. Het legalisme (het rigide vasthouden aan de letter van de wet) en het papalisme (een ongenuanceerde en bijna absolute gehoorzaamheid aan de paus) hebben uiteindelijk voorrang gekregen boven de eis om elke dubbelzinnigheid op het gebied van geloof en liturgie te vermijden. Bij elke grote leerstellige crisis in de geschiedenis van de Kerk was de gouden regel echter het vermijden van elke leerstellige dubbelzinnigheid; dit gold ook voor paus Honorius I, wiens leerstellig dubbelzinnige brieven — uitgegeven in het kader van zijn gewone leergezag — krachtig werden veroordeeld door zijn opvolgers en door drie oecumenische concilies, ondanks de pogingen van zijn tweede opvolger, Paus Johannes IV, om een vorm van continuïteitshermeneutiek in te voeren.

Tegenwoordig wordt binnen de Kerk algemeen aangenomen dat er geen gewetensconflict kan ontstaan tussen gehoorzaamheid aan de paus en het behoud van de ondubbelzinnige zuiverheid van het geloof. Uiteindelijk komt dit erop neer dat aan gehoorzaamheid aan de paus zo’n grote waarde wordt toegekend dat men het verkieslijker acht om onduidelijkheden met betrekking tot het geloof en de liturgische riten te aanvaarden dan in strijd te handelen met een pauselijk bevel — zelfs indien dit bevel van louter menselijke oorsprong is en mogelijk onjuist. Daarnaast is er ook een enge opvatting van de gemeenschap ontstaan – of het nu gaat om de gemeenschap met de paus of met de Kerk. Gehoorzaamheid aan de paus wordt gezien als onlosmakelijk verbonden met de gemeenschap met de Kerk. Een dergelijke benadering dreigt de gehoorzaamheid aan de paus op hetzelfde niveau te plaatsen als de gehoorzaamheid aan de goddelijke openbaring.

Tevens dient een onderscheid te worden gemaakt tussen het positieve recht – dat wil zeggen de disciplinaire normen die door het menselijk gezag van de Kerk zijn vastgesteld – en de goddelijke Wet, dat wil zeggen de door God geopenbaarde geloofswaarheden. Niemand kan de goddelijke wet tegenspreken en tegelijkertijd katholiek blijven. In werkelijk buitengewone en zeldzame omstandigheden kan een katholiek echter uit gewetensplicht verplicht zijn om in strijd met het positieve recht te handelen, juist om zonder compromissen trouw te blijven aan de goddelijke wet.

De begrippen ‘schisma’ en ‘onderwerping’ zelf zijn wat betreft hun concrete en praktische toepassing nog niet volledig verduidelijkt. Het Wetboek van Canoniek Recht (canon 751) definieert schisma als ‘de weigering tot onderwerping aan de Paus of tot gemeenschap met de leden van de Kerk die aan hem onderworpen zijn’. In feite is er in de recente geschiedenis van de Kerk een zeer restrictieve opvatting van ‘schisma’ en ‘onderwerping’ ontstaan, volgens welke materiële ongehoorzaamheid aan de paus – ongeacht de intentie – in de praktijk gelijkgesteld wordt aan een formeel schisma.

Men dient ook het begrip ‘toestand van formeel schisma’ in gedachten te houden, dat verwijst naar de principiële afwijzing van het pauselijk gezag door de oprichting van een afzonderlijke hiërarchie — zoals het geval was bij de Grieks-orthodoxe Kerk in 1054, en vervolgens bij de talrijke en uiteenlopende sedevacantistische groeperingen tot op de dag van vandaag. Er kan echter geen sprake zijn van een toestand van formeel schisma zolang het bovennatuurlijke geloof in het dogma van het pauselijk primaat en de pauselijke onfeilbaarheid blijft bestaan, evenals de wens om in concrete onderwerping aan het pauselijk gezag te leven — ook al kan dit, vanwege een buitengewone crisis binnen de Kerk, op dit moment niet volledig worden gerealiseerd. Een dergelijke buitengewone crisis binnen de Kerk kan leiden tot een vertroebeling of een tijdelijke opschorting van de hoofdtaak van het pauselijk ambt, namelijk het ondubbelzinnig verdedigen en verkondigen van de integriteit van het katholieke geloof en de katholieke liturgie.

Hetzelfde geldt voor het begrip ‘in gemeenschap zijn’ met de paus. Gedurende een zeer lange periode vonden bisschopswijdingen plaats zonder directe tussenkomst van de paus, en de particuliere Kerken en de bisschoppen drukten hun gemeenschap met hem op verschillende manieren uit. Pas later in de geschiedenis van de Kerk eisten de pausen dat elke bisschopswijding plaatsvond met een pauselijk mandaat. Toch beschouwde het canoniek recht, zelfs na deze ontwikkeling, onrechtmatige bisschopswijdingen — dat wil zeggen die welke tegen de wil van de paus werden voltrokken — niet als een inbreuk op de eenheid van de Kerk, noch als intrinsiek schismatische handelingen, noch als intrinsiek verkeerde handelingen. Ook vandaag de dag classificeert het geldende Wetboek van Canoniek Recht onrechtmatige bisschopswijdingen nog steeds als delicten met betrekking tot de viering van de sacramenten of bestempelt deze als handelingen van ambtsmisbruik.

In werkelijkheid valt de norm die een pauselijk mandaat voor bisschopswijdingen vereist, onder het positief recht, en niet onder het goddelijk recht. Anders zou deze norm gedurende de gehele geschiedenis van de Kerk altijd, overal en door iedereen, zonder uitzondering, in acht zijn genomen. Zeker, een pauselijk mandaat voor bisschopswijdingen is gewoonlijk noodzakelijk; het is wijselijk ingesteld om de hiërarchische onderwerping van het episcopaat aan de paus beter te waarborgen.

Het buitengewone karakter van de huidige crisis binnen de Kerk komt in dit geval tot uiting in het feit dat een gemeenschap waarvan het wezenlijke kenmerk het verlangen is om trouw te blijven aan de paus — wat de Priesterbroederschap Sint-Pius X voor zich opeist — voor een tragische keuze staat: ofwel de paus te gehoorzamen en daardoor gedwongen te worden onzekere en onduidelijke aspecten van de leer en de liturgie te aanvaarden; ofwel de paus niet te gehoorzamen in een uiterst ernstige kwestie, zoals de wijding van bisschoppen, met als enige bedoeling de middelen te behouden om het geloof en de liturgie in hun volledige integriteit door te geven — ten dienste van de zielen, van de gehele Kerk, met inbegrip van het pausdom zelf.

Ook mag de omvang van de huidige crisis in de Kerk niet worden veronachtzaamd, maar moet deze juist eerlijk worden onderzocht door terug te gaan tot de wortels ervan. Deze wortels liggen in bepaalde vage en dubbelzinnige leerstellige uitspraken van het Tweede Vaticaans Concilie, waarvan de gevolgen in de afgelopen zestig jaar verwarring hebben gezaaid, zoals het leerstellige relativisme dat voortvloeit uit de leer en de praktijk van de oecumene en de interreligieuze dialoog, die ertoe hebben bijgedragen dat het unieke karakter van Jezus Christus en Zijn Kerk als enige weg tot verlossing is ondermijnd. Bovendien hebben bepaalde leerstellige en rituele tekortkomingen van de liturgische hervorming, met haar protestantiserende tendensen, het centrale offerkarakter van de mis en de christocentrische dimensie ervan overschaduwd.

De heilige John Henry Newman maakte de volgende opmerkelijke en treffende opmerking: „Bisschoppen kunnen, wanneer zij niet formeel [ex cathedra] onderwijzen, zich vergissen, zoals wij zien dat zij dat in de vierde eeuw hebben gedaan. Paus Liberius heeft in Sirmium een Eusebiaanse [Ariaanse] formule kunnen ondertekenen, net als de meerderheid van de bisschoppen in Ariminum [Rimini] of elders, en toch konden zij, ondanks deze dwaling, onfeilbaar blijven in hun beslissingen ex cathedra” (Arians of the Fourth Century, Londen 1876, blz. 464). Wat de bisschop van Regensburg, Mgr. Rudolf Graber, meer dan vijftig jaar geleden stelde, typeert de huidige situatie van de Kerk nog treffender: „Wat zich meer dan 1600 jaar geleden afspeelde, herhaalt zich vandaag de dag, maar met twee of drie verschillen: Alexandrië is vandaag de dag de gehele Universele Kerk, waarvan de stabiliteit aan het wankelen is gebracht, en wat destijds met fysiek geweld en wreedheid werd ondernomen, wordt nu naar een ander niveau overgebracht. Ballingschap wordt vervangen door verbanning in de stilte van het genegeerd worden, moord door karaktermoord” (Athanasius und die Kirche unserer Zeit, Abensberg 1973, blz. 23).

De FSSPX is vandaag de dag vrijwel de enige gemeenschap binnen de Kerk die openlijk de aandacht vestigt op de duidelijke leerstellige onduidelijkheden in bepaalde conciliaire verklaringen en in de ritus van de Nieuwe Mis, en die om ondubbelzinnige verduidelijkingen en, indien nodig, wijzigingen vraagt, in overeenstemming met het constante leergezag van de Kerk. De „hermeneutiek van de continuïteit” of van de „hervorming in continuïteit” — op zich een geldige en nuttige benadering — kan ook een soort „keurslijf” worden dat de wonden die zijn veroorzaakt door leerstellige en liturgische dubbelzinnigheden en verwarring slechts op „cosmetische” wijze bedekt. De Heilige Stoel vereist immers een vorm van cirkelredenering: alles zou in orde zijn, mits men voldoende aanhoudende intellectuele inspanningen levert.

In werkelijkheid bewijst de FSSPX, door haar onvermoeibare nadruk op duidelijkheid op het gebied van leer en liturgie, de gehele Kerk een enorme dienst — een dienst van historische betekenis. Mocht de Heilige Stoel dit standpunt van de FSSPX serieus nemen — en bovendien de objectieve dubbelzinnigheden van bepaalde verklaringen van het Tweede Vaticaans Concilie en van de ritus van de Nieuwe Mis erkennen —, dan zou dit het begin van het einde betekenen van het modernistische project binnen de Kerk, een project dat nochtans meer dan een eeuw geleden het levenslicht zag.

De huidige crisis tussen de Heilige Stoel en de FSSPX kan ook worden geïllustreerd aan de hand van de volgende gelijkenis: er breekt brand uit in een groot huis. De brandweercommandant staat alleen het gebruik van nieuwe blusmethoden toe, hoewel deze minder effectief zijn gebleken dan de beproefde traditionele methoden en hulpmiddelen. Een groep brandweerlieden negeert dit bevel, blijft de beproefde methoden toepassen en werft zelfs nieuwe brandweerlieden aan – dit alles ondanks het verbod van de commandant –; daardoor wordt de brand op talrijke plaatsen onder controle gebracht. Toch worden deze brandweerlieden bestempeld als ongehoorzaam en schismatiek, en worden zij hiervoor gestraft.

Om de parabel verder uit te werken: de brandweercommandant laat nu alleen nog die brandweerlieden toe die de nieuwe methoden erkennen en zich aan de nieuwe voorschriften van de brandweerkazerne houden. Maar gezien de enorme omvang van de brand, de wanhopige strijd om deze onder controle te krijgen en de ontoereikendheid van de officiële methoden, grijpen andere helpers onbaatzuchtig in — ondanks het verbod van de brandweercommandant — en brengen vaardigheid, kennis en goede bedoelingen mee, waardoor ze uiteindelijk helpen juist dat huis te redden dat de brandweercommandant zo hard probeerde te beschermen.

De tijd verstrijkt, de omstandigheden veranderen en een nieuwe commandant neemt het roer over; hij erkent de ongewenste gevolgen van de nieuwe brandbestrijdingsmethoden. Niet alleen staat hij het gebruik van de oude, beproefde methoden opnieuw toe, maar hij wordt er zelf een fervent voorstander van. Hij erkent tevens de bijdrage van de brandweerlieden die destijds verkeerd begrepen, streng gestraft, verbannen en als rebellen uitgesloten waren, en neemt hen weer op in de gelederen. Uiteindelijk, toen deze grote omwenteling eenmaal voorbij was, bleek wat veroordeeld was als een daad van ongehoorzaamheid en rebellie, een daad van onbaatzuchtige toewijding te zijn geweest.

De geschiedenis zal ooit uitwijzen of de volgende woorden van de heilige Augustinus van toepassing zijn op de huidige situatie met betrekking tot de FSSPX:

„Vaak laat de goddelijke Voorzienigheid toe dat zelfs goede mannen door de onstuimige opstanden van vleselijke mensen uit de gemeenschap van Christus worden verdreven. Wanneer zij ter wille van de vrede van de Kerk die belediging of dat onrecht geduldig verdragen en geen nieuwigheden op het gebied van ketterij of schisma nastreven, zullen zij de mensen leren hoe God gediend moet worden met een oprechte gezindheid en met grote en oprechte naastenliefde. Het is de bedoeling van zulke mannen om terug te keren wanneer de onrust is weggeëbd. Maar als dat niet is toegestaan omdat de storm voortduurt of omdat hun terugkeer een nog heviger storm zou kunnen ontketenen, houden zij vast aan hun voornemen om zelfs het welzijn te zoeken van degenen die verantwoordelijk zijn voor de onrust en opschudding die hen hebben verdreven. Zij vormen geen afzonderlijke bijeenkomsten, maar verdedigen tot de dood toe en ondersteunen door hun getuigenis het geloof waarvan zij weten dat het in de katholieke Kerk wordt verkondigd. Deze worden in het geheim bekroond door de Vader die in het verborgene ziet. Het lijkt alsof dit een zeldzaam soort christen is, maar aan voorbeelden ontbreekt het niet. Zo gebruikt de goddelijke Voorzienigheid allerlei soorten mensen als voorbeelden voor de zorg voor de zielen en voor de opbouw van zijn geestelijk volk” (De vera religione, 6, 11)

Wat de heilige Athanasius aan zijn broeders-bisschoppen over de hele wereld schreef, midden in een uitzonderlijke geloofscrisis, geldt eveneens voor onze tijd:

„De canones en decreten van de Kerk zijn niet vandaag vastgesteld; zij zijn ons met rechtschapenheid en standvastigheid door onze vaderen overgeleverd. Ook het geloof is niet in onze tijd ontstaan; het is ons door de Heer via Zijn discipelen overgeleverd. Opdat dus de voorschriften die sinds de oudheid tot op de dag van vandaag in de Kerken bewaard zijn gebleven, in onze tijd niet verloren gaan, en opdat het aan ons toevertrouwde erfgoed niet van ons wordt teruggevorderd, wekt u op, broeders – u die de rentmeesters bent van de mysteries van God –, nu u ziet dat deze voortaan door vreemden worden ingepikt.” (Ep. encyclica, 1)

God schrijft in Zijn Voorzienigheid recht, zelfs met lijnen die vanuit puur juridisch oogpunt kronkelig lijken. Moge Hij de komst van die dag bespoedigen. Laten wij ons te midden van de beproevingen verheugen en zeggenik geloof in de onoverwinnelijkheid van de Kerk en van het pausdom, en ik geloof dat de Heilige Stoel op een dag weer zal schitteren als de Cathedra van de waarheid voor de hele wereld.