Het priesterlijk celibaat: een onderzoek (deel 1)

Bron: District België - Nederland

INLEIDING

Is het tijd dat de Katholieke Kerk haar regels rond het celibaat voor priesters versoepelt? Dat is een brandende vraag.

In de Latijnse Kerk kan een getrouwde man geen priester worden, tenzij hij speciale toestemming krijgt van de paus en zijn vrouw ermee instemt[1]. Maar in dat geval is hij, als hij tot priester wordt gewijd, verplicht tot volkomen en definitieve onthouding. Waarom deze eis?

Soms zeggen priesters: “Ik wilde priester worden, dus heb ik ermee ingestemd celibatair te blijven, omdat dat een voorwaarde was om het sacrament van de wijding te ontvangen”. Het is duidelijk dat in deze situatie het celibaat met berusting, bijna met tegenzin en zonder enig enthousiasme aanvaard wordt. Dan staat de deur open voor alle vormen van afvalligheid. Hoe kan men trouw blijven aan een zo hoge eis, die zo ver boven het vermogen van onze gevallen natuur uitstijgt, als de diepe motieven ervan onbegrepen blijven? Is de beste manier voor een priester om trouw te blijven aan zijn gelofte van kuisheid en deze met vreugde te beleven niet juist het begrijpen van de gegrondheid, de schoonheid en de betekenis ervan? De volgende regels hebben als eerste doel uit te leggen waarom de Latijnse Kerk van haar priesters volmaakte en definitieve onthouding eist, en aan te tonen dat deze redenen geldig zijn.

Deze rechtvaardiging is des te noodzakelijker, omdat er veel stemmen opgaan tegen een dergelijke discipline.

De Zwitserse theoloog Hans Küng schrijft: "Het is juist het celibaat als regel dat in tegenspraak is met het Evangelie en de traditie van het vroege katholicisme. Het moet daarom worden afgeschaft. (...) Het celibaat was nog niet van kracht tijdens het eerste millennium van de christelijke jaartelling. In het Westen werd het in de 11e eeuw ingesteld onder invloed van monniken (die zelf uit vrije keuze celibatair waren). We hebben dit te danken aan paus Gregorius VII"[2].

“Ik denk dat de Kerk zich moet afvragen of het verplicht celibaat moet worden gehandhaafd”,[3] verklaarde de Belgische bisschop van Brugge, Mgr. Jozef De Kesel, in 2010. “Je zou kunnen zeggen dat er celibataire priesters zijn, maar dat mensen voor wie het celibaat menselijkerwijs onmogelijk na te leven is, ook de kans moeten krijgen om priester te worden”, voegde hij eraan toe.

In de Zürichse krant NZZ am Sonntag van 24 september 2023 verklaarde de bisschop van Bazel, Mgr. Felix Gmür: “De tijd is gekomen om het celibaat af te schaffen. Ik heb absoluut geen probleem met het idee van getrouwde priesters.” Mgr. Pascal Wintzer, aartsbisschop van Poitiers, in de krant La Croix van 14 september 2022, zegt voorstander te zijn van de priesterwijding van getrouwde mannen:

“Ik heb verschillende jongemannen gekend die priester wilden worden, maar zich geen leven zonder vrouw en kinderen konden voorstellen. Ze zouden uitstekende priesters zijn geweest, daar ben ik zeker van, maar slechte celibatairen. De regel van het celibaat berooft de Katholieke Kerk van een aantal uitstekende priesters, uitstekende pastores.”

In een interview met de Duitse krant Süddeutsche Zeitung op woensdag 2 februari 2022 pleit kardinaal Reinhard Marx, aartsbisschop van München, voor het afschaffen van het verplichte celibaat binnen de Katholieke Kerk.

“Voor sommige priesters zou het beter zijn als ze getrouwd waren. Niet alleen om seksuele redenen, maar omdat het beter zou zijn voor hun leven en ze dan niet alleen zouden zijn”, legt hij uit.

In de krant La Croix van 7 februari 2023 schrijft Mgr. Jacques Blaquart, bisschop van Orléans: “Ik ben geen voorstander van het huwelijk voor priesters. Ik denk echter wel dat we kunnen nadenken over de wijding van getrouwde mannen met een bevestigd geloof.”

“Als het aan mij lag, zou ik de regel die het celibaat voor priesters voorschrijft, herzien”, zegt Mgr. Charles Scicluna, aartsbisschop van Malta en adjunct-secretaris van het Dicasterie voor de Geloofsleer, in een interview met de krant Times of Malta op 7 januari 2024. “De Kerk heeft grote priesters verloren, omdat zij voor het huwelijk hebben gekozen.” Het celibaat dwingt een aantal priesters tot “een geheime liefdesrelatie. (...) We moeten er rekening mee houden dat priesters soms verliefd worden en moeten kiezen tussen dat en hun roeping. (...) Dit is waarschijnlijk de eerste keer dat ik dit in het openbaar zeg, en voor sommigen zal het ketterij klinken”.

Het is belangrijk op dit gebied nauwkeurige termen te gebruiken. Celibaat is de toestand van iemand die niet in het huwelijk is verbonden.

Onthouding is het zich onthouden van seksuele betrekkingen. Dit kan zowel bij ongehuwden als bij gehuwden voorkomen. 

Kuisheid is een morele deugd die de voortplantingsdrift in goede banen leidt. In het dagelijks taalgebruik wordt het ook wel deugd van reinheid genoemd. Kuisheid wordt als volmaakt of absoluut beschouwd wanneer de persoon in kwestie zich onthoudt om bovennatuurlijke redenen, in tegenstelling tot echtelijke kuisheid, die nageleefd wordt door echtgenoten die op een redelijke manier gebruikmaken van het huwelijk. 

Maagdelijkheid, in de zin van lichamelijke ongeschondenheid, is de toestand van een persoon die nog nooit geslachtsgemeenschap heeft gehad. Maar in de zin van morele deugd omvat het ook het voornemen zich volledig en voor altijd te onthouden van voortplantingsgerelateerde genoegens. Ieder mens moet de deugd van kuisheid beoefenen, terwijl slechts een klein aantal geroepen is om maagdelijkheid te beoefenen.

Nu dit is verduidelijkt, moet worden vastgesteld dat er talrijke argumenten worden aangevoerd door de voorstanders van de afschaffing van het celibaat voor priesters. Zijn deze argumenten relevant? Het volgende hoofdstuk heeft als tweede doel deze vraag te beantwoorden. In elk hoofdstuk van dit werk zullen we eerst kort een bezwaar tegen de celibaatregel uiteenzetten. De rest van het hoofdstuk wordt gewijd aan de weerlegging van het bezwaar.

Hoofdstuk 1

Het celibaat van priesters, een recente praktijk?

Bezwaar: In de begintijd van de Kerk waren priesters geenszins tot het celibaat verplicht. De apostelen zelf waren getrouwd. Het evangelie vermeldt bijvoorbeeld dat Jezus de schoonmoeder van Petrus heeft genezen[4]. Pas in de 11e of 12e eeuw ontstond de verplichting voor priesters om celibatair te zijn. Laten we terugkeren naar de Traditie!

Antwoord: In de begintijd van de Kerk was het gebruikelijk dat mannen die in het huwelijk waren verbonden tot het priesterschap werden toegelaten. Er bestond geen wet die getrouwde mannen verbood priester te worden.

De vraag die ons hier interesseert is precies de volgende: hadden deze getrouwde mannen, eenmaal priester geworden, het recht om in het huwelijk te blijven leven? Sinds wanneer zijn katholieke priesters verplicht celibatair te leven? Veel journalisten (zoals Jean-Marie Guénois in Le Figaro[5]), die celibaat en onthouding door elkaar halen, beweren dat deze wet uit de middeleeuwen stamt. Vroeger, zo zeggen zij, mochten priesters trouwen en met hun vrouw blijven samenleven terwijl zij hun priesterambt uitoefenden.

Dat is een ernstige vergissing! De eerste schriftelijke vermelding van deze wet vinden we in canon 33 van het Concilie van Elvira[6], in Spanje, in het jaar 300 of 305. Dit concilie legt perfecte kuisheid op aan diakens, priesters en bisschoppen. Als ze al getrouwd zijn, moeten ze zich “onthouden van hun vrouwen”. Zoals paus Pius XI[7] terecht opmerkt, veronderstelt een dergelijke schriftelijke vermelding natuurlijk een oudere gewoonte. Als deze wet nieuw was geweest, zou er namelijk een storm van protest zijn ontstaan en zouden de kerkelijke autoriteiten de gegrondheid ervan hebben uitgelegd om een dergelijke nieuwigheid te rechtvaardigen. Er is echter geen spoor van verontwaardiging of van een uitleg over de gegrondheid van deze wet. Deze wet herinnert aan een reeds bestaande discipline. En dit concilie van Elvira is geen geïsoleerd geval. Zo bevat canon 29 van het concilie van Arles in 314 dezelfde wet[8].

Vacandard, in het Dictionnaire de théologie catholique, in het artikel “Célibat ecclésiastique”, verdedigt daarentegen de stelling van de vrije keuze: tijdens de eerste drie eeuwen van de Kerk zouden priesters de keuze hebben gehad tussen onthouding en het huwelijksleven, ook al was onthouding de meest gangbare praktijk. Deze stelling, die door andere encyclopedieën en impliciet door het Tweede Vaticaans Concilie[9] en Paulus VI[10] is overgenomen, werd weerlegd door abbé Henri Deen in zijn boek Le célibat des prêtres[11]. Hij voegt hier een interessant argument aan toe: aangezien het om een verplichting gaat die zo in strijd is met de menselijke hartstochten, moet deze discipline, deze ongeschreven wet, dan niet afkomstig zijn van de apostelen zelf? Wie zou voldoende gezag hebben gehad om dit op te leggen? Als de apostelen het voorbeeld van het huwelijk hadden gegeven en dit aan de eerste priesters van de Kerk hadden aangeraden, zou men dan vanaf het begin van de 4e eeuw het celibaat of de volmaakte onthouding als een vereiste, een strikte verplichting hebben kunnen beschouwen?

In het begin van de 3e eeuw legt Origenes in zijn commentaar op het Leviticus het verschil uit tussen de priesters van het Oude Testament en die van het Nieuwe Testament. De eersten waren alleen tot onthouding verplicht tijdens hun dienst in de tempel, terwijl de laatsten deze deugd voortdurend moesten beoefenen. Hij voegt eraan toe:

"Ook in de Kerk mogen priesters kinderen hebben, maar op de manier van degene die zei: 'Mijn kinderen, ik lijd voor jullie de pijn van de barensnood, totdat Christus in jullie gevormd is. Ook al zouden jullie duizenden opvoeders in Christus hebben, jullie hebben niet meerdere vaders. Ik ben het die u door het evangelie in Christus Jezus heb voortgebracht"[12]. Deze uitleg toont aan dat katholieke priesters vanaf het begin van de 3e eeuw onthouding in acht namen. Zij begrepen dat hun missie niet bestond in het voortbrengen van lichamelijk leven, maar van het leven van de genade.

Paus Sint Siricius schrijft in zijn decreet aan de bisschoppen van Afrika in het jaar 386 het volgende over volmaakte onthouding: “Het zijn geen nieuwe voorschriften die worden opgelegd, maar wij willen dat de voorschriften die door lafheid of nalatigheid van enkelen zijn veronachtzaamd, worden nageleefd, voorschriften die toch zijn vastgesteld door de apostelen en de kerkvaders (apostolica et patrum constitutione sunt constituta)”[13].

Bovendien schrijft het 2e concilie van Carthago, bijeen in 390 in Noord-Afrika, over de onthouding van geestelijken: "Wat de apostelen ons hebben geleerd en wat de oudheid altijd heeft nageleefd, laten ook wij in acht nemen (Ut quod apostoli docuerunt et ipsa servavit antiquitas, nos quoque custodiamus) "[14]. In de 16e eeuw baseerde paus Pius IV zich op dit document om een negatief antwoord te geven aan de Duitse vorsten die toestemming vroegen voor het huwelijk van priesters[15].

Paus Sint-Leo de Grote schreef in 446: “Seksueel contact is zelfs aan subdiakens verboden, zodat degenen die een vrouw hebben, zijn alsof ze er geen hebben, en degenen die er geen hebben, celibatair blijven”[16].

Van de apostelen weten we dat Petrus getrouwd was en dat Johannes maagd bleef. Over de anderen is niets zeker. Het staat echter vast dat zij, nadat zij door Christus waren geroepen, het huwelijksleven hebben opgegeven en volmaakte onthouding hebben betracht. Zouden zij anders met zoveel zekerheid hebben gezegd: “Zie, wij hebben alles verlaten” (Ecce nos reliquimus omnia)?[17] De kerkvaders zijn het hierover eens. Zo schrijft de heilige Hieronymus in zijn brief 118: “Petrus heeft zijn vrouw verlaten, samen met zijn netten en zijn boot.” Het is ongetwijfeld naar dit offer dat Onze-Lieve-Heer verwijst wanneer Hij aan de apostelen antwoordt: “Ieder die zijn huis (...), zijn vrouw of zijn kinderen omwille van mijn naam heeft verlaten, zal het honderdvoudige ontvangen en het eeuwige leven bezitten”[18]. De heilige Thomas van Aquino schrijft: “Men kan begrijpen dat de apostelen een gelofte hebben afgelegd die de staat van volmaaktheid vormt, toen zij alles achterlieten en Christus volgden”[19].

Elders is Sint-Hieronymus nog explicieter:

“De apostelen waren maagden of kuis na hun huwelijk. Bisschoppen, priesters en diakens worden gekozen uit maagden of weduwen; in ieder geval leven zij, zodra zij het priesterschap hebben ontvangen, in eeuwige kuisheid”[20].

De heilige Paulus, die later dan de twaalf apostel werd, leert: “Ik zou willen dat jullie allemaal waren zoals ik; maar ieder heeft van God zijn eigen gave ontvangen, de een op de ene manier, de ander op een andere. Maar ik zeg tegen de ongehuwden en de weduwen: het is goed voor hen om te blijven zoals ze zijn, zoals ik”[21]. Alle kerkvaders, behalve Clemens van Alexandrië, bevestigen op basis van deze passage dat de heilige Paulus zijn hele leven maagdelijk is gebleven.

Een passage van de heilige Paulus levert echter moeilijkheid op: “Hebben wij niet het recht om overal een vrouwelijke zuster mee te nemen, zoals de andere apostelen en de broeders van de Heer en Cephas doen?”[22]. Clemens van Alexandrië geeft de interpretatie die door de katholieke exegeten zal worden overgenomen. Als de apostelen vrouwen meenamen, dan was dat niet "als echtgenotes, maar met de titel van zusters, om als tolk te dienen voor de vrouwen die door hun taken aan huis gebonden waren, en opdat via deze tussenpersonen de leer van de Heer de vrouwenverblijven zou binnendringen[23], zonder dat kwaadwillenden hen konden beschuldigen of onterechte verdenkingen konden koesteren"[24].

De Heilige Congregatie voor de Geloofspropaganda stelde op 24 maart 1858 een instructie op waarin staat: "De apostelen waren, volgens talrijke getuigenissen van de kerkvaders, ofwel maagden, ofwel bleven zij voortdurend onthouding betrachten. Daarom verleenden zij de heilige wijdingen alleen aan hen die het celibaat hadden bewaard of onthouding beloofden"[25].

De geschiedenis vermeldt talrijke gevallen van gehuwde mannen die, geroepen tot het priesterschap of het bisschopsambt, met instemming van hun echtgenotes van hen scheidden en onthouding beloofden. Noemen we bijvoorbeeld de heilige Gregorius van Nyssa, de heilige Hilarius van Poitiers, de heilige Paulinus van Nola, de heilige Gregorius van Nazianze, de heilige Sidoinus Apollinaris, enz.

We moeten dus met pater Cochini en kardinaal Stickler[26] concluderen dat de verplichting voor diakens, priesters en bisschoppen om volmaakte onthouding te beoefenen in de Kerk niet het resultaat is van een latere ontwikkeling, maar integendeel een ongeschreven traditie is die teruggaat tot de apostelen.

Dit is ook de mening van paus Johannes Paulus II, die op Witte Donderdag 1979 aan alle priesters schreef: “De Latijnse Kerk, die zich baseert op het voorbeeld van Christus zelf, op de leer van de apostelen en op haar eigen traditie, heeft gewild en blijft willen dat allen die het sacrament van de wijding ontvangen, deze verzaking op zich nemen met het oog op het koninkrijk der hemelen”[27].

 

[1] Het huwelijk vormt een beletsel voor het ontvangen van de wijding (CIC 1917, can. 987, 2°; CIC 1983, can. 1042, 1°). Alleen de Heilige Stoel kan hiervan ontheffing verlenen.

[2] Hans Küng, Pour lutter contre la pédophilie, abolissons le célibat des prêtres (4 maart 2010), op de website lemonde.fr. Geraadpleegd op 21 mei 2024.

[3] L'évêque De Kesel s'interroge sur le célibat des prêtres (18 september 2010), op de website lalibre.be. Geraadpleegd op 10 januari 2024.

[4] Mat. VIII, 14.

[5] Jean-Marie Guénois, L’Église avance vers l'ordination d'hommes mariés (17 juni 2019), op de website lefigaro.fr. Geraadpleegd op 5 februari 2022.

[6]Placuit in totum prohibere episcopis, presbyteris et diaconibus, vel omnibus clericis positis in ministerio, abstinere se a conjugibus suis et non generare filios: quicumque vero fecerit, ab honore clericatus exterminetur”. Denzinger nr. 119.

[7]Placuit in totum prohibere episcopis, presbyteris et diaconibus, vel omnibus clericis positis in ministerio, abstinere se a conjugibus suis et non generare filios: quicumque vero fecerit, ab honore clericatus exterminetur”. Denzinger nr. 119.

[8] Hefele-Leclercq, Histoiredes conciles, t. 1, p. 295 ; Corpus Christianorum, 148, 25.

[9] Presbyterorumordinis nr. 16.

[10] Encycliek Sacerdotalis coelibatus van 24 juni 1967, nr. 17.

[11] Editions du Cèdre, 1969.

[12] Editions du Cèdre, 1969.

[13] P. L. t. 13, col. 1155 geciteerd door Henri Deen, Le célibat des prétres, p. 21

[14] Canon 2 geciteerd door pater Christian Cochini, s.j., Les origines apostoliques du célibat sacerdotal, Lethielleux, 1981. Zie ook Hefele-Leclerc, Histoire des conciles, t. 2, 1"' deel, pagina 77. Deze canon wordt geciteerd door Pius XI in Adcatholici sacerdotii.

[15] Zie Cochini, op. cit., p. 25.

[16] Ep. ad Anast., hoofdstuk 4.

[17] Mat. XIX, 27. Sint-Thomas denkt echter dat Christus Petrus niet van zijn vrouw heeft gescheiden (, q. 186, art. 4, ad 1)

[18] Mat. XIX, 29.

[19] IIaIIae, q. 88, art. 4, ad 3.

[20] Brief aan Pammachius, ep. 49, 21

[21] I Co VII, 7 en 8

[22] I Co IX, 5.

[23] Appartement van de vrouwen.

[24] Stromates III, 6.

[25] Collectanea, t. 2, nr. 1158.

[26] Auteur van het boek Le célibat des clercs, Téqui, 1998

[27] La Documentationcatholique, jaar 1979, p. 356.