Pater de Beer: "Laten we het even over de aflaten hebben!"
Plechtig requiem in de Minoritenkerk van de FSSPX in Wenen
Predicatie in de St. Willibrordkerk te Utrecht, zondag 2 november 2025
Dierbare Gelovigen,
Voor de overleden gelovigen die in het Vagevuur nog loutering nodig hebben, alvorens de Hemel binnengelaten te worden, kunnen wij van 1 t/m 8 november een volle aflaat verdienen. De kerk spoort ons tot deze barmhartigheid aan!
Wat wil dat nu allemaal zeggen? … Laat me een beetje uitweiden, omdat hierover veel verwarring en misverstand heerst. Eens las ik in een calvinistisch schoolboek een zó verkeerde uitleg, dat men daarmee wel noodzakelijk een raar beeld van de katholieke Kerk moet krijgen.
Wat is nu werkelijk de katholieke leer hieromtrent?
De aflaten zijn één van de middelen, waardoor men geheel of gedeeltelijk kwijtschelding kan verkrijgen van de tijdelijke straffen, die na de vergeving van de zonden nog wel kunnen overblijven … door te weinig berouw of te weinig liefdewerken. … Wat betekent dit?
Voor alle zonden, zware of dagelijkse, is berouw nodig tot vergeving. Het liefst berouw uit liefde!
Onvolmaakt berouw, dat is eerder uit angst, is voldoende voor de Biecht. De Absolutie vervolmaakt het.
Krijgt men zo in de Biecht bij zware zonden vergeving, dan betekent dat kwijtschelding van de eeuwige straf, maar dikwijls blijven er dan toch nog tijdelijke straffen over vanwege te weinig liefde.
Tijdelijke straffen kunnen we hier op aarde kwijtraken door liefdewerken. … Veel mensen denken daar niet aan.
De H. Schrift getuigt van tijdelijke straffen in bijv. Num. 14, 20 en 23. Toen het oude verbondsvolk in de woestijn tegen Mozes in opstand kwam en naar Egypte wilde terugkeren, dreigde God dit weerspannig volk te vernietigen. Mozes bad om vergeving, en God antwoordde hem: “Ik heb vergeven volgens uw woord. … Maar zij zullen het land niet zien, dat Ik onder ede aan hun vaderen heb beloofd”. Hun schuld is vergeven, maar zij zullen het land niet zien. … Het laatste is een tijdelijke straf.
De aflaat is een kwijtschelding door de Kerk van tijdelijke straffen. De zonden dus, waardoor men de straffen had verdiend, worden nooit door de aflaat vergeven. Voor men daaraan deelachtig wordt, moet men al vergeving hebben verkregen van de zonden.
En die kwijtschelding wordt verleend door toevoeging van de kerkelijke schatten. Dit kan natuurlijk alleen gebeuren door de bevoegde kerkelijke overheid.
De schatten van de Kerk bestaan in de voldoening, die Jezus en de heiligen aan God hebben gegeven. … Oók dus de voldoening door de heiligen gegeven, behoort tot de schatten van de Kerk! … Want ieder goed werk, door de mens in staat van genade verricht, heeft een dubbele kracht.
a. Het verdient vermeerdering van genade en glorie voor hem, die het verricht.
b. Het voldoet voor tijdelijke straffen, die men door de zonde heeft verdiend.
Nu kan het gebeuren, dat een heilige méér voldoening aan God heeft aangeboden, dan nodig was om voor de tijdelijke straffen te voldoen, die hij had verdiend.
De H. Maagd Maria bijv. heeft nooit een zonde bedreven en dus niet de geringste straf verdiend. Toch hadden haar goede werken de kracht om voor de straffen te voldoen. Die voldoening nu, die de heiligen voor zichzelf niet nodig hadden, behoren tot de schatten van de Kerk en kunnen door haar op anderen worden toegepast.
Een vergelijking:
Stellen we ons eens voor, dat alle burgers van een stad, die geen schulden hebben en méér geld verdienen dan zij voor hun leven nodig hebben, hun overvloed gezamenlijk zouden overschrijven naar een rekening van een eerlijk, rechtschapen man, die dan aan de armen, die hun schulden niet zelf kunnen betalen, aan de zieken, die zelf niets kunnen verdienen, uit deze gemeenschapskas het nodige geld zou geven … zou dit niet mooi en christelijk zijn?
Zo is het in geestelijke zin in de katholieke Kerk. De werken van voldoening zijn als het ware het ‘geld’, waarmee wij onze schulden, de tijdelijke straffen, tegenover God afbetalen.
De overvloedige voldoeningen van Jezus, Maria en de heiligen zijn aan de Kerk als een schat toevertrouwd. Zij beheert dat geestelijk ‘geld’. Daarmee schenkt zij waarde aan bepaalde gebeden en werken. … Maakt zij waardevol.
De Kerk heeft de macht om hieruit aflaten te verlenen, want:
a. Jezus heeft gezegd: "Wat gij op aarde hebt ontbonden, zal ook in de Hemel ontbonden zijn" (Mt. 16, 19). Deze woorden zijn geheel algemeen en hebben niet alleen betrekking op ontheffing van wetten en vergeving van zonden, maar ook op de kwijtschelding van straffen.
b. De Kerk heeft ook altijd getoond, dat zij die macht bezat.
In de eerste eeuwen gebeurde het meermalen, dat Christenen, die van het geloof waren afgevallen, maar zich hadden bekeerd, de voorspraak van hen, die zich om het geloof in de gevangenis bevonden, inriepen, ten einde geheel of gedeeltelijk ontheven te worden van de hun opgelegde kerkelijke straffen. De belijders gaven hun dan een bewijs, waardoor zij verklaarden het doorgestane lijden en hun toekomstige marteldood te willen opdragen tot voldoening voor de straf, die de afvallige Christenen hadden verdiend. Aan dezen werd dan niet zelden kwijtschelding of vermindering van de kerkelijke straf verleend.
Die straf was o.a. ook opgelegd om te voldoen voor de tijdelijke straffen, die God anders de zondaar hier of hiernamaals zou doen ondergaan.
En de Kerk leerde, dat de voldoening van de martelaar hetzelfde uitwerksel had, als de door haar opgelegde straffen: zij bevrijdde namelijk van de straf, die men bij God had verdiend. Natuurlijk blijft bij God het uiteindelijk oordeel.
Maar het was dus een werkelijke aflaat, die werd toegepast.
In de huidige kerkelijke orde is er alleen nog sprake van volle en gedeeltelijke aflaten. Door de volle aflaat krijgt men kwijtschelding van de gehele tijdelijke straf, door de gedeeltelijke aflaat slechts van een gedeelte.
Bij de gedeeltelijke aflaten spreekt men niet meer over bijv. het aantal dagen. Dat waren dan geen dagen in het Vagevuur, daarover kan de Kerk niet beschikken, maar dagen van kerkelijke boete. De Kerk kende dan aan een bepaald gebed of werk de waarde toe van zo of zoveel dagen kerkelijke boete, dat zijn vastendagen.
Een volle aflaat kan slechts eenmaal op een dag worden verdiend, met uitzondering voor degenen die in ‘stervensgevaar’ zijn. … Een gedeeltelijke aflaat kan echter meerdere malen op een dag verdiend worden, tenzij uitdrukkelijk anders wordt vermeld.
Gedeeltelijke aflaten
1. Een gedeeltelijke aflaat wordt verleend aan iedere gelovige die zijn plichten van staat volbrengt en in de moeilijkheden en beproevingen van het leven zijn ziel verheft tot God, met een vrome aanroeping, dus door gebed, in nederig vertrouwen, zelfs in de geest.
Nuttig zijn in dit verband, bijv.: het kruisteken maken, het gebruik van wijwater, het Engel des Heren bidden, de oefeningen van geloof, hoop of liefde, het gebed Ziel van Christus, heilig mij, een litanie, schietgebeden, een bezoek aan het H. Altaarsacrament enz.
2. Een gedeeltelijke aflaat wordt ook verleend aan iedere gelovige die in de geest van geloof en barmhartigheid zich inzet, ijver toont, of zijn middelen deelt met zijn broeders in nood. Bij de aalmoes is geen aanroeping vereist.
3. Tevens wordt een gedeeltelijke aflaat verleend aan iedere gelovige die in de geest van boete, vrijwillig zich iets ontzegt wat geoorloofd en hem aangenaam is.
4. En verder wordt een gedeeltelijke aflaat verleend aan geloofsgetuigenis, aan catechismusles geven of volgen.
Volle Aflaten
Zijn te verkrijgen door een half uur aanbidding van het H. Altaarsacrament, het bidden van het Rozenhoedje in familie of groep, het bidden van de Kruisweg, een half uur te lezen in de H. Schrift, het ontvangen van de pauselijke zegen ‘Urbi et Orbi’, ook via de media, door een retraite te volgen van minstens 3 dagen, door de aanbidding van het Kruis op Goede Vrijdag, de hernieuwing van de doopbeloften op Paaszaterdag, het Veni Creator op Pinksteren, het zingen van het Tantum Ergo op Sacramentsdag, het bidden van de oefening van eerherstel op het H. Hartfeest, het doen van de Stille Omgang, het deelnemen aan een eerste H. Mis van een nieuw gewijde priester, het Te Deum op 31 december, het Veni Creator op 1 januari, het in het stervensuur ontvangen van de pauselijke zegen door een priester.
Er is echter verschil tussen de aflaten voor de levenden en die voor de overledenen. In de eerste scheldt de Kerk de tijdelijke straffen kwijt door toevoeging van haar schatten: in de laatste kan de Kerk niet onmiddellijk kwijtschelding verlenen, omdat zij geen rechtsmacht heeft over de zielen in het Vagevuur. Doch zij biedt haar schatten God aan met de bede, dat Hij, omwille van de voldoening van Jezus en de heiligen, die zielen geheel of gedeeltelijk van de straf bevrijdt. Het is echter niet onfeilbaar zeker, dat God die bede inwilligt, althans voor de persoon, op wie men de aflaat wenst toegepast te zien.
Op 2 t/m 8 november stelt de Kerk ons in de gelegenheid een volle aflaat te verdienen voor de zielen van de overleden gelovigen die nog in het Vagevuur zijn.
Is er dan een Vagevuur?
Jezus en de H. Apostel Paulus spreken erover. Jezus zegt in de Bergrede: “Haast u zich te verzoenen met uw tegenpartij, zolang ge nog met hem onderweg zijt (= in dit leven). Anders zult gij in de gevangenis (= het vagevuur) worden geworpen, tot ge de laatste penning hebt betaald!” (Mt. 5, 25 v.)
De H. Paulus (l Kor. 3, 15) spreekt van mensen, die wel zalig zullen worden, maar pas dan, na gereinigd te zijn door het vuur. … Het vuur van de hel reinigt niet. Er moet dus sprake zijn van een ander vuur, en wel van één, dat slechts tijdelijk is.
Daarom noemen we de plaats van reiniging: Vagevuur.
Het bestaat vanwege Gods barmhartigheid.
De Kerk heeft dit wel drie keer als vast te geloven punt herhaald. Het Tweede Concilie van Lyon (1274) en het Concilie van Florence (1439) leren: “Wanneer mensen werkelijk rouwmoedig en in staat van genade sterven, nog vóór hun zonden genoeg weer te hebben goedgemaakt, dan worden hun zielen door pijnen gereinigd”.
In de H. Schrift staat ook dat we die zielen kunnen helpen en dat het goed is, zo 2 Makkabeeën 12, 42-45: Daar wordt verteld, dat enige Israëlieten, die tegen het bevel van hun aanvoerder Judas zich een deel van de buit hadden toegeëigend, in de strijd omkwamen. Judas zond toen een som geld naar Jeruzalem, ten einde offers op te dragen voor de gesneuvelden. … De H. Geest prijst deze daad en zegt(46), dat het “een goede en heilzame gedachte is voor de overledenen te bidden”.
Als er geen vagevuur bestond, dan zouden die gesneuvelde Israëlieten of in het voorgeborchte zijn geweest, wachtend op de Hemel, of in de hel, maar in beide gevallen zouden de offers voor hen geheel nutteloos geweest zijn. Judas veronderstelde dus – en de H. Geest bevestigt de waarheid van die veronderstelling – dat er een plaats is, waar de afgestorvenen de verdiende tijdelijke straffen kunnen afboeten.
En het Concilie van Trente (1563) schrijft: “Het Vagevuur bestaat. De zielen die daarin worden vastgehouden, ontvangen verlichting door de gebeden en goede werken van de gelovigen, vooral door het H. Misoffer.”
Algemene voorwaarden voor de volle aflaat tijdens deze eerste 8 dagen van november zijn:
- de bedoeling hebben de volle aflaat werkelijk te verdienen.
- gaan biechten (eventueel 8 dagen vóór of na), de Biecht wordt ook gevraagd van hen, die geen doodzonden hebben begaan.
- de H. Communie ontvangen op de dag zelf,
- bidden voor de intenties van de paus, te weten:
verheffing van de Kerk, uitbreiding van het geloof,
uitroeiing van de ketterij, bekering van de zondaars,
eenheid onder de christenen.
- geen gehechtheid hebben aan de zonde, dat betekent dus ook berouw te hebben over de dagelijkse zonden,
Voor 1 t/m 8 november ziet het er als volgt uit:
- bezoek brengen aan een kerkhof,
- gebed voor de zielen in het Vagevuur en voor de intenties van de paus
Op de dag van Allerzielen hoeft u niet eens per se naar het kerkhof te gaan, maar volstaat:
- een bezoek te brengen aan een kerk, publieke of half publieke kapel, met de bedoeling te bidden voor de zielen,
- een Onze Vader en de geloofsbelijdenis te bidden voor de intenties van de paus.
Denken we in dit verband aan Lc. 16, 9, waar Jezus zegt: “Maak u vrienden door de ongerechte mammon, opdat, wanneer hij u komt te ontvallen, zij u mogen opnemen in de eeuwige tenten”. … Deze woorden zijn op een heel bijzondere wijze van toepassing op die vrienden, die nu onze aandacht krijgen, de gelovige zielen in het Vagevuur. … Zij zijn de dankbaarste, de trouwste en beste vrienden, die wij aan ons kunnen verplichten!
We zullen voor onze gebeden, ons gedenken in de H. Mis en onze goede werken voor die zielen beloond worden!
De H. Bisschop en Kerkleraar Ambrosius (340-397) zegt: “Alles wat voor de overledenen met vrome bedoeling wordt gedaan, krijgen we honderdvoudig vergoed na ons eigen overlijden!” … Amen.
(Afbeelding: FSSPX Österreich)