België: bisschoppen voorstander van getrouwde priesters
Mgr Luc Terlinden
Op uitnodiging van de anglicaanse aartsbisschop van York heeft Mgr. Luc Terlinden, aartsbisschop van Mechelen-Brussel, een bezoek gebracht aan de algemene anglicaanse synode die van 10 tot en met 12 juli 2026 in York werd gehouden. Bij zijn terugkeer, op 15 juli, heeft hij een interview gegeven aan het Nederlandse dagblad Nederlands Dagblad.
In antwoord op een vraag over gehuwde priesters binnen de Anglicaanse Gemeenschap sprak Mgr. Terlinden zich uit voor de wijding van gehuwde mannen. “In het kader van de synode van 2023 hebben wij, de Belgische bisschoppen, in een naar Rome gestuurd document duidelijk aangegeven dat wij openstaan voor een discussie over de mogelijkheid om gehuwde mannen te wijden.” Hij vervolgde: “Naar mijn mening zouden gehuwde priesters een verrijking voor de Kerk betekenen.” Hij wijst er echter op dat een dergelijke stap niet kan worden gezet zonder de instemming van de paus.
De Belgische aartsbisschop haalde het voorbeeld aan van de oosterse katholieke kerken: “Ik heb gesproken met een Grieks-katholieke bisschop die mij vertelde dat 90 % van zijn priesters getrouwd was. In het Westen tonen wij niet altijd voldoende respect voor deze oosterse traditie, die eveneens katholiek is.”
De aartsbisschop van Mechelen-Brussel herinnert eraan dat de Belgische bisschoppen pleiten voor een zekere mate van decentralisatie ten opzichte van Rome. Zo heeft Mgr. Johan Bonny, bisschop van Antwerpen, in een pastorale brief van maart 2026 zijn voornemen bekendgemaakt om tegen 2028 getrouwde mannen (viri probati) tot priester te wijden.
“Het standpunt van de bisschop van Antwerpen is het resultaat van zijn eigen initiatief, maar uiteraard kan hij geen gehuwde priesters wijden zonder toestemming van de paus”, aldus Mgr. Terlinden.
Over het priesterlijk celibaat
Gezien de verwarring die door de Belgische bisschoppen en anderen in stand wordt gehouden, is het noodzakelijk eraan te herinneren wat precies de traditionele praktijk van het priesterlijk celibaat in de katholieke Kerk inhoudt. Hier volgt de inleiding van een artikel van E.H. Frédéric Weil FSSPX, gepubliceerd op La Porte Latine op 20 februari 2020, waar men het met veel voordeel in zijn geheel kan lezen. Dit fragment biedt al nuttige verduidelijkingen en herhaalt bepaalde waarheden.
“Vanaf het begin en gedurende haar hele geschiedenis heeft de Kerk voortdurend aanvallen ondergaan op de praktijk van het priesterlijk celibaat. De Romeinse autoriteiten hebben echter nooit gehoor gegeven aan de verwijten en hebben grote vastberadenheid getoond bij de handhaving van deze discipline.
Maar sinds het Tweede Vaticaans Concilie zijn er uitzonderingen in het recht geïntroduceerd, uitzonderingen die voorheen in het Latijnse Westen nooit voorkwamen. Tegen de tegenstanders moet inderdaad opnieuw worden benadrukt dat deze wet van onthouding naar alle waarschijnlijkheid van apostolische oorsprong is.
Dit blijkt uit de werken van de jezuïet Cochini uit 1990 en die van kardinaal Stickler, verschenen in 1993. In dit artikel zullen wij ons grotendeels baseren op de werken van laatstgenoemde en deze samenvatten om de praktijk van de Kerk op dit gebied uiteen te zetten.
Om de verwarring te voorkomen die vaak rond dit onderwerp heerst, moet er een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen twee begrippen: dat van onthouding en dat van celibaat. De kerkelijke discipline heeft immers in de eerste plaats betrekking op de onthouding van geestelijken, dat wil zeggen de volledige en blijvende onthouding vanaf de wijding van elke vleselijke omgang met een echtgenote. Daarom worden weduwnaars soms tot het priesterschap toegelaten, zelfs als zij eerder kinderen hebben verwekt. Men kan zelfs stellen dat de Kerk altijd getrouwde mannen heeft toegelaten, mits zij in onderlinge overeenstemming van hun echtgenote scheiden.
Alleen zijn dergelijke gevallen in de loop der eeuwen steeds zeldzamer geworden. Zelfs aan de vooravond van Vaticanum II verleende de Kerk deze toestemming op besluit van de Heilige Stoel, maar alleen als de echtgenote eveneens in een religieuze orde trad en de kinderen niet langer ten laste waren. Dit geldt met name voor pater d’Elbée, de auteur van Croire à l’amour, wiens echtgenote bij de karmelietessen is ingetreden.
Het celibaat lijkt dus het meest geschikte middel om deze onthouding mogelijk te maken, maar het is niet hetgeen in de eerste plaats wordt nagestreefd. De uitdrukking priestercelibaat is enigszins misleidend. Men zou eerder moeten spreken van onthouding van de geestelijken, aangezien dit bovendien ook betrekking heeft op subdiakens en diakens.”
E.H. Weil voegt hieraan toe dat “hoewel men in Rome thans openlijk spreekt over het wijden van viri probati (‘bewezen mannen’), om te verwijzen naar de discipline uit de oudheid, men doet alsof men vergeet dat deze tot volmaakte onthouding verplicht waren.”
(Bron: belgicatho/infovaticana/nederlands dagblad/cath.ch/la porte latine/DICI n°471 – FSSPX.Actualités)
Illustratie: Philcotof, CC BY-SA 4.0, via Wikimedia Commons