Brief van Eerwaarde Heer Pagliarani aan Kardinaal Fernández

Antwoord van de algemene overste van de Broederschap Sint-Pius X aan kardinaal Victor Fernandez, prefect van het Dicasterie voor de Geloofsleer, na het onderhoud van 12 februari 2026.

Menzingen, 18 februari 2026
Aswoensdag

Eminentie,

Allereerst wil ik u bedanken voor uw ontvangst op 12 februari jongstleden en voor het openbaar maken van de inhoud van onze ontmoeting, wat een volledige transparantie in de communicatie bevordert.

Ik kan de openheid voor een leerstellige discussie, die vandaag door de Heilige Stoel wordt getoond, alleen maar toejuichen, om de eenvoudige reden dat ik dit zelf precies zeven jaar geleden had voorgesteld, in een brief van 17 januari 20191. Destijds had het Dicasterie niet echt belangstelling getoond voor een dergelijke discussie, met als reden – mondeling uiteengezet – dat een leerstellige overeenkomst tussen de Heilige Stoel en de Priesterbroederschap Sint-Pius X onmogelijk was.

Van de kant van de Priesterbroederschap was – en blijft – een leerstellige discussie wenselijk en nuttig. Want zelfs als men het niet eens kan worden, maken broederlijke uitwisselingen het mogelijk elkaar beter te leren kennen, de eigen argumenten te verfijnen en te verdiepen, en de geest en de bedoelingen achter de standpunten van de gesprekspartner beter te begrijpen, vooral zijn oprechte liefde voor de Waarheid, voor de zielen en voor de Kerk. Dit geldt te allen tijde voor beide partijen.

Dat was precies mijn bedoeling in 2019, toen ik een discussie voorstelde in een serene en vreedzame sfeer, zonder de druk of dreiging van een mogelijke excommunicatie die de dialoog iets minder vrij zou hebben gemaakt – dat is helaas vandaag de dag wel het geval.

Dat gezegd zijnde, ben ik natuurlijk verheugd over een nieuwe opening voor dialoog en een positief antwoord op mijn voorstel van 2019, maar uit intellectuele eerlijkheid en priesterlijke trouw, voor God en voor de zielen, kan ik de visie en de doelstellingen waarvoor het Dicasterie in de huidige situatie een hervatting van de dialoog voorstelt, niet aanvaarden; evenmin trouwens het uitstel van de datum van 1 juli.

Ik leg u respectvol de redenen hiervoor uit, waaraan ik enkele aanvullende overwegingen zal toevoegen.

  1. We weten allebei op voorhand dat we het niet eens kunnen worden over de leer, in het bijzonder wat betreft de fundamentele koers die sinds het Tweede Vaticaans Concilie is ingezet. Deze onenigheid is voor de Priesterbroederschap niet slechts een kwestie van een verschil van mening, maar een echt gewetensconflict, voortkomend uit wat een breuk met de traditie van de Kerk blijkt te zijn. Deze complexe knoop is helaas nog ingewikkelder geworden door de leerstellige en pastorale ontwikkelingen die zich tijdens de recente pontificaten hebben voorgedaan. 

    Ik zie dan ook niet in hoe een gezamenlijk dialoogproces zou kunnen leiden tot een gezamenlijke vaststelling van wat “de minimale vereisten voor volledige gemeenschap met de Katholieke Kerk” zouden zijn, aangezien – zoals u zelf openhartig hebt opgemerkt – de teksten van het Concilie niet kunnen worden gecorrigeerd en de legitimiteit van de liturgische hervorming niet ter discussie kan worden gesteld.

  2. Deze dialoog moet de interpretatie van het Tweede Vaticaans Concilie verduidelijken. Maar die interpretatie is al duidelijk gegeven in de postconciliaire en daaropvolgende documenten van de Heilige Stoel. Het Tweede Vaticaans Concilie is geen verzameling vrij interpreteerbare teksten: het is al zestig jaar lang door de opeenvolgende pausen overgenomen, ontwikkeld en toegepast, volgens precieze leerstellige en pastorale richtlijnen.

    Deze officiële lezing komt bijvoorbeeld tot uiting in belangrijke teksten zoals Redemptor hominis, Ut unum sint, Evangelii gaudium of Amoris lætitia. Ze komt ook tot uiting in de liturgische hervorming, begrepen in het licht van de principes die in Traditionis custodes worden bevestigd. Al deze documenten tonen aan dat het leerstellige en pastorale kader waarbinnen de Heilige Stoel elke discussie wil plaatsen, reeds vastligt.

  3. De voorgestelde dialoog vindt vandaag plaats onder omstandigheden die niet kunnen worden genegeerd. We hebben namelijk zeven jaar gewacht op een gunstige reactie op het voorstel voor een leerstellige discussie dat in 2019 werd geformuleerd. Meer recentelijk hebben we tweemaal aan de Heilige Vader geschreven: eerst om een audiëntie aan te vragen, en vervolgens om op een duidelijke en respectvolle manier onze noden en de concrete situatie van de Priesterbroederschap uiteen te zetten. 

    Na een lange stilte wordt echter pas op het moment dat er sprake is van bisschopswijdingen voorgesteld om de dialoog te hervatten, wat dus een vertragende en voorwaardelijke maatregel lijkt. De uitgestoken hand voor een dialoog gaat helaas gepaard met een andere hand die al klaarstaat om sancties op te leggen. Er is sprake van een breuk in de gemeenschap, van schisma2 en van “ernstige gevolgen”. Bovendien is deze dreiging nu openbaar geworden, wat een druk creëert die moeilijk te verenigen is met een oprechte wens tot broederlijke gesprekken en constructieve dialoog. 

  4. Bovendien lijkt het ons niet mogelijk om een dialoog aan te gaan om te bepalen wat de minimale vereisten zijn voor kerkelijke gemeenschap, simpelweg omdat deze taak niet aan ons toekomt. Door de eeuwen heen zijn de criteria voor het lidmaatschap van de Kerk vastgesteld en gedefinieerd door het leergezag. Wat men moest geloven om katholiek te zijn, werd altijd met gezag onderwezen, in voortdurende trouw aan de Traditie.

    Het is dan ook onduidelijk hoe deze criteria door middel van een dialoog gezamenlijk kunnen worden uitgewerkt, noch hoe ze vandaag de dag zodanig kunnen worden herzien dat ze niet meer zouden overeenkomen met wat de Traditie van de Kerk altijd heeft onderwezen en wat wij op onze plaats getrouw willen naleven.

  5. Ten slotte, als er een dialoog wordt overwogen om te komen tot een leerstellige verklaring over het Tweede Vaticaans Concilie die de Priesterbroederschap kan aanvaarden, kunnen we niet voorbijgaan aan de historische precedenten van eerdere pogingen in die richting. Ik vestig in het bijzonder uw aandacht op het meest recente precedent: de Heilige Stoel en de Priesterbroederschap hebben een langdurige dialoog gevoerd, die in 2009 begon, twee jaar lang bijzonder intens was en vervolgens op meer sporadische wijze werd voortgezet tot 6 juni 2017. Al die jaren is getracht te bereiken wat het Dicasterie nu voorstelt. 

    Uiteindelijk kwam er echter een drastisch einde aan door een eenzijdig besluit van de prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer, Kardinaal Müller, die in juni 2017 op zijn manier plechtig de “minima die nodig zijn voor volledige gemeenschap met de Katholieke Kerk” vaststelde, waarbij hij expliciet het hele concilie en het postconcilie3 opnam. Dit toont aan dat als men volhardt in een te geforceerde en onvoldoende serene leerstellige dialoog, men op de lange termijn, in plaats van een bevredigend resultaat te bereiken, de situatie alleen maar verergert.

Aangezien we het erover eens zijn dat we geen overeenstemming kunnen bereiken over de leer, lijkt het mij dat het enige punt waarop we elkaar kunnen vinden, de liefde jegens de zielen en jegens de Kerk is.

Als kardinaal en bisschop bent u in de eerste plaats een herder: sta mij toe u in die hoedanigheid aan te spreken. De Priesterbroederschap is een objectieve realiteit: zij bestaat. Daarom hebben de pausen in de loop van de jaren kennis genomen van dit bestaan en hebben zij door concrete en betekenisvolle daden de waarde erkend van het goede dat zij kan verrichten, ondanks haar canonieke situatie. Dat is ook de reden waarom wij vandaag met elkaar spreken.

Diezelfde Priesterbroederschap vraagt u alleen om hetzelfde goede te kunnen blijven doen voor de zielen aan wie zij de heilige sacramenten toedient. Zij vraagt u niets anders, geen privileges, zelfs geen canonieke regularisatie, die in de huidige situatie onhaalbaar is vanwege de leerstellige verschillen. De Priesterbroederschap kan de zielen niet in de steek laten. De behoefte aan bisschopswijdingen is een concrete noodzaak op korte termijn voor het voortbestaan van de Traditie, in dienst van de heilige katholieke Kerk.

Over één ding zijn we het eens: niemand van ons wil oude wonden openhalen. Ik zal hier niet herhalen wat we al hebben gezegd in de brief aan paus Leo XIV, waarvan u rechtstreeks op de hoogte bent. Ik wil alleen benadrukken dat in de huidige situatie de enige echt haalbare weg die van de naastenliefde is.

In het afgelopen decennium hebben paus Franciscus en u zelf uitgebreid gepleit voor “luisteren” en begrip voor bijzondere, complexe, uitzonderlijke situaties die buiten de gewone kaders vallen. U hebt ook gepleit voor een pastoraal, flexibel en redelijk gebruik van het recht, zonder te pretenderen alles op te lossen met juridische automatismen en vastgestelde systemen. De Priesterbroederschap vraagt u op dit moment niets anders – en vooral niet voor zichzelf: zij vraagt het voor die zielen die, zoals reeds aan de Heilige Vader beloofd, zij alleen maar tot ware kinderen van de Roomse Kerk wil maken.

Ten slotte is er nog een ander punt waarover we het eens zijn en dat ons moet bemoedigen: de tijd die ons scheidt van 1 juli is een tijd van gebed. Het is een moment waarop we de hemel om een speciale genade smeken en de Heilige Stoel om begrip. Ik bid in het bijzonder voor u, tot de Heilige Geest, en – vat dit niet op als een provocatie – tot Zijn hoogheilige Bruid, de Middelares van alle genaden.

Ik wil u nogmaals oprecht bedanken voor uw aandacht en voor de belangstelling die u aan deze kwestie wilt schenken.

Met uiterste hoogachting, Eminentie, en mijn toewijding in de Heer.

 

Davide Pagliarani, Algemeen-Overste
+ Alfonso de Galarreta, Eerste Assistent
Christian Bouchacourt, Tweede Assistent
+ Bernard Fellay, Eerste Raadgever, Oud Algemeen-Overste
Franz Schmidberger, Tweede Raadgever, Oud Algemeen-Overste

Bijlage I: Brief van Eerwaarde Heer Pagliarani aan Mgr. Pozzo, van 17 januari 2019
Bijlage II: Wijding en jurisdictie: ongegrondheid van de beschuldiging van schisma
Bijlage III: Brief van Kardinaal Müller aan Mgr. Fellay, van 6 juni 2017

  • 1

    Zie bijlage I.

  • 2

    De Priesterbroederschap verwerpt echter elke beschuldiging van schisma en is, gesteund door de traditionele theologie en de constante leer van de Kerk, van mening dat een bisschopswijding die niet door de Heilige Stoel is goedgekeurd, wanneer deze niet gepaard gaat met een schismatieke intentie of met het toekennen van jurisdictie, geen breuk met de gemeenschap van de Kerk inhoudt. Zie bijlage II.

  • 3

    Zie bijlage III.